Reisverhaal «België, wandeling 31, Brugge»

en nu eens dichtbij: Vlaanderen wandelland | België | 3 Reacties 31 Maart 2021 - Laatste Aanpassing 04 Januari 2021

wandeling 31, Brugge

Brugge is de hoofdstad van West-Vlaanderen, we duiden het toch aan op de kaart

Brugge is bereikbaar per trein, de lijn Brussel-Oostende, Brussel-Blankenberge, Brussel-Knokke hebben allemaal station Brugge als halte

de vetgedrukte tekst is uitleg over gebouwen, straten, bouwstijlen, geschiedenis .. . Indien je hierin niet geïnteresseerd bent, kan je de groene tekst gewoon overslaan

Eens lezen wat Wikipedia over Brugge schrijft (https://nl.wikipedia.org/wiki/Brugge)

Brugge (Frans en Engels: Bruges; Duits: Brügge) is de hoofdstad en naar inwonertal grootste stad van de Belgische provincie West-Vlaanderen en van het arrondissement Brugge. De stad, gelegen in het noordwesten van het land, is tevens de hoofdplaats van het kieskanton Brugge, telt zelf vier gerechtelijke kantons en is de zetel van het bisdom Brugge en van een hof van assisen.
Het historisch centrum is als middeleeuwse stad opgenomen op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Het is eivormig en ongeveer 430 hectare groot. De volledige gemeente heeft een oppervlakte van ruim 14.099 hectare, waaronder zo'n 1.075 hectare gewonnen op de zee, bij Zeebrugge. De stad telt ruim 118.000 inwoners; ongeveer 20.000 daarvan wonen in de binnenstad. De inwoners van Brugge worden Bruggelingen genoemd.
De economische betekenis van Brugge vloeit voornamelijk voort uit de zeehaven, Zeebrugge, maar ook uit de industrie, dienstensector en scholen op alle niveaus. Tevens is de stad een wereldberoemde toeristische trekpleister.

De oudste geschreven bron waarin de naam van de stad wordt gebruikt, is het "Breviarium de thesauro sancti Bavonis, quod invenerunt fratres remansisse post Nordmannicam infestationem". Deze inventaris van een kerkschat van de Gentse Sint-Baafsabdij werd opgesteld na plundering van de abdij door Noormannen, vermoedelijk tussen 851 en 864. Daarin heeft men het over een gouden kruis, dat ter bescherming naar Brugge was gestuurd, maar niet was teruggekomen: "crux illa aurea, que Bruggis fuit ad servandum missa nec postea reversa". Het vroegste afschrift van deze inventaris dateert pas uit de 12e eeuw.
De oudste tastbare bron waarop voor het eerst de naam van de stad wordt gebruikt, zijn enkele munten die volgens de recentste inzichten gedateerd worden tussen 864 en 898. Ze bevatten de vermeldingen Bruggas, Bruccas, Briuggas en Briuccas.

Waar de naam Brugge vandaan komt, is niet exact bekend. Mogelijk is het een verbastering van de Keltische naam voor de ondertussen gekanaliseerde rivier de Reie, die door Brugge stroomde en in de Noordzee uitmondde. Reie zelf komt van het Keltische woord Rogia, wat "Heilig Water" betekent. De Kelten beschouwden rivieren en bronnen als goddelijke wezens, en het is waarschijnlijk dat de Keltische naam aan de Brugse waterloop is blijven kleven. Door evolutie zou de naam van het water, Rogia of Ryggia, ook de naam van de stad geworden zijn, Bryggia.
Het is mogelijk dat er in latere eeuwen ook een contaminatie plaats heeft gevonden met het Oudnoordse woord bryggja, wat "landingsbrug" of "aanlegkaai" betekent. Zo waren er vanaf 800 veel contacten met Scandinavië via handel over de Noordzee en door de invallen van de Noormannen. De naam Brugge vertoont dan ook gelijkenissen met Bryggen, de historische haven van Bergen, dat net als Brugge vanaf de 14e eeuw een belangrijke stad was van de Hanze

Regelmatig wordt naar Brugge verwezen als het "Venetië van het Noorden", refererend aan de vele waterlopen en bruggen. De meeste van deze kanaaltjes worden "reien" genoemd, naar de rivier de Reie. Een andere theorie luidt dat de bijnaam te maken heeft met het feit dat de middeleeuwse handelssteden Brugge en Venetië economisch enigszins vergelijkbare functies vervulden als belangrijkste distributiecentra, elk in eigen regio.
Ook wordt Brugge vaak de "Breydelstad" genoemd, naar de Brugse volksheld uit de 14e eeuw, Jan Breydel.
De bijnaam van de Bruggelingen is "(Brugse) zotten". Deze bijnaam danken ze aan een weinig waarschijnlijke legende: nadat ze Maximiliaan I van Oostenrijk, in hun strijd om autonomie, voor een tijd gevangen hadden gehouden, verbood deze het houden van een jaarmarkt en andere festiviteiten. In een poging om hem te sussen, hield Brugge voor hem een groot feest en vroeg daarna de toestemming opnieuw een jaarmarkt te houden, belastingen te innen én ... een nieuw "zothuis" te bouwen. Hij antwoordde: "Sluit alle poorten van Brugge en je hebt een zothuis!".

De eerste tekenen van leven op het huidig Brugse grondgebied stammen uit de 2e eeuw n.C., toen er zich een Gallo-Romeinse nederzetting bevond. De naam van Brugge werd voor de eerste keer vermeld tussen 850 en 875. Tussen de 9e en 12e eeuw groeide de stad dankzij de belangrijke haven uit tot een internationaal handelscentrum. Even dreigde de haven in het gedrang te komen door de verzanding van het gebied tussen Brugge en de huidige kuststrook. Het ontstaan van het Zwin, de vaargeul tussen Brugge en de zee, in 1134 zorgde er echter voor dat de verbinding standhield.

In 1089 werd Brugge uitgeroepen tot 'hoofdstad' van het graafschap Vlaanderen en van de 13e tot de 15e eeuw kon Brugge gerust beschouwd worden als de economische hoofdstad van Noordwest-Europa. Door zijn belang als handelscentrum zag in Brugge het eerste beursgebouw ter wereld het levenslicht. Daarnaast werd ook de Waterhalle op de Grote Markt als ontmoetingsplaats voor handelaars gebouwd.
De 14e eeuw mag de Gouden Eeuw van Brugge genoemd worden. In die tijd telde de stad 46.000 inwoners. De binnenstad kreeg een tweede stadswal waarvan tot op vandaag enkele poorten de tand des tijds hebben doorstaan. Het Bourgondische vorstenhuis had van Brugge haar residentiestad gemaakt en trok heel wat uitmuntende kunstenaars aan, waaronder schilders en architecten. Dit resulteerde in een enorme verrijking van de stad op bouwkundig, artistiek en cultureel vlak. Het monumentale stadhuis is hier een mooi voorbeeld van, maar ook heel wat indrukwekkende kerken en huizen stammen uit die periode.
De dood van Maria van Bourgondië in 1482 zorgde echter voor een keerpunt en al gauw trok het vorstenhuis zich uit de stad terug. Het einde van Brugge als internationale handelsmetropool was in zicht. Antwerpen nam gedurende een eeuw deze rol over en Brugge raakte volledig in verval. De Spaanse koning was ook graaf van Vlaanderen van 1592 tot 1713; deze Spaanse heerschappij, gepaard met enkele godsdienstoorlogen, sleurde de stad steeds verder de dieperik in.
Daarna volgden een Oostenrijks bewind, een Franse annexatie, een herenigd Nederland en de Belgische onafhankelijkheid. Volgens sommigen behoorde Brugge van 1600 tot 1885 tot de armste steden in de Nederlanden. Hiervoor wordt meestal de cijfers vernoemd van de behoeftige bevolking. Anderen halen hieruit argument dat de stad integendeel rijk bleef, aangezien ze zo veel armen kon onderhouden. Het bouwen van grote stadswoningen doorheen de zeventiende tot achttiende eeuw toont aan dat er minstens een rijke bovenlaag aanwezig was. De industriële revolutie in de negentiende eeuw beroerde Brugge niet in aanzienlijke mate. De strijd voor een nieuwe zeehaven was het grote actiepunt in Brugge.

Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd Brugge vooral geprezen als verblijfplaats en historisch oord door Engelse auteurs. Tegen het einde van de eeuw was de roman Bruges-la-Morte van Georges Rodenbach een van de elementen die de stad bijkomend onder de aandacht bracht. In het boek werd Brugge als verarmd maar mysterieus voorgesteld en dit zorgde voor een bijkomende internationale belangstelling. Het historisch patrimonium werd herontdekt en de bouw van de zeehaven in Zeebrugge in 1896 beloofde ook op economisch vlak voor een heropleving te zorgen. De tentoonstelling van de Vlaamse Primitieven in 1902 was het startschot voor de sterke culturele en toeristische ontwikkeling die de stad sindsdien heeft gekenmerkt.
Tijdens de twee wereldoorlogen bleef Brugge zo goed als volledig gespaard van vernielingen. In 1971 werd het grondgebied van de stad aanzienlijk uitgebreid door een fusie met de omliggende randgemeenten en in 2000 kwam de binnenstad op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO te staan. Tijdens het jaar 2002 was Brugge culturele hoofdstad van Europa.

Het gebied waarin Brugge is gegroeid, ligt op de grens van een zandleemgebied en de zeepolders, op circa 15 km van de Noordzee. Het grootste deel van de stad kan tot de Zandstreek gerekend worden.

Brugge heeft acht deelgemeenten, waarvan er zes – Brugge, Sint-Andries, Sint-Michiels, Assebroek, Sint-Kruis en Koolkerke – een stedelijk karakter hebben en twee – Dudzele en Lissewege – gekenmerkt zijn door een enerzijds landelijk en anderzijds havengerelateerd landschap. De binnenstad – het historisch stadsgedeelte binnen de vesten – heeft gemiddeld de grootste bevolkingsdichtheid. Ook wijken grenzend aan het stadscentrum kennen vaak een hoge bevolkingsdichtheid, soms hoger dan van enkele wijken in de binnenstad. Over het algemeen, op uitzondering van bepaalde wijken, neemt de bevolkingsdichtheid licht af naarmate men verder verwijderd is van de binnenstad.

In de loop der jaren is de oppervlakte van de gemeente/stad Brugge aanzienlijk vergroot. Hieronder een overzichtje van de geannexeerde gemeenten en woonkernen (weergegeven is het jaartal waarin de fusie geschiedde plus de opgegeven gemeenten).

1899 - gemeente Sint-Pieters-op-den-Dijk, woonkern Sint-Jozef en de latere industriezone Zwankendamme
1901 - het latere Zeebrugge
1932 - woonkern Zwankendamme
1971 - de gemeenten Assebroek, Dudzele, Koolkerke, Lissewege, Sint-Andries, Sint-Kruis en Sint-Michiels
Enkel de gemeenten die zich in 1971 bij de stad gevoegd hebben, mogen zichzelf deelgemeente noemen.

Brugge is vooral bekend als een historische stad met veel cultureel erfgoed. Het historisch centrum is goed geconserveerd, in het bijzonder het middeleeuws stratenpatroon en patrimonium. Het huidige uitzicht van de binnenstad is ook beïnvloed door de belangstelling voor de neogotiek in de 19e eeuw, die resulteerde in de 'neo-Brugse stijl', gaande van neogotiek tot eclecticisme. Veel gebouwen werden toen verfraaid, gerestaureerd, herbouwd of nieuw gebouwd in deze stijl.[6] De reien, de geschiedenis, de archeologische vondsten, maar ook de winkelstraten lokken dagelijks heel wat mensen naar deze stad. In ruime mate te voet, maar onder andere ook per fiets(koets), paardenkoets of -tram, met City-Tourbusjes of met bootjes op de reien kan de Brugse binnenstad verkend worden.

Het autoverkeer wordt zo veel mogelijk uit het centrum van de stad geweerd. De snelheidsbeperkingen (30 km per uur), een lussenplan met veel eenrichtingsverkeer (twee richtingen voor fietsers) en randparkings moeten van Brugge een aangename wandel- en winkelstad maken.

op bovenstaande website kan je nog meer lezen

Brugge telt heel wat parken, musea en bouwkundig erfgoed. Langs een gedeelte ervan komen we tijdens onze wandeling, om alles te bezoeken is er meer tijd nodig. Wegens corona wandelen we heel beperkt in een winkelstraat.

En nu de wandeling zelf, we parkeren bij het station in Brugge (omwille van corona gaan we niet met de trein, tijdens de kerstvakantie verwacht men immers heel wat volk zowel in de stad als richting zee)

het NMBS-station van Brugge

Station Brugge:
In 1837 worden initiatieven genomen om de spoorwegverbinding Brussel-Gent via Brugge en Oostende door te trekken. Het Brugse stadsbestuur verkiest, met de hoop op een belangrijke economische heropleving, om een station in het stadscentrum op 't Zand in te planten. Het aanleggen van de spoorweg en het bouwen van dat station betekenen een metamorfose voor dit plein. Het kapucijnenklooster op de Vrijdagmarkt wordt volledig gesloopt en de Smedenrei overwelfd. Het station in neoclassicistische stijl (dat later heropgebouwd is in Ronse) is ontworpen door de Brusselse architect Auguste Payen (1801-1877). Op 12 augustus 1838 wordt de spoorlijn Gent-Oostende plechtig ingehuldigd en vanaf 1 oktober rijden dagelijks drie treinen naar Oostende en twee naar Gent, Brussel, Antwerpen, Leuven en Ans (Luik). Het succes is enorm.

Reeds in 1877 wordt de Antwerpse architect Joseph Schadde (1818-1894) belast met het ontwerpen van een nieuw en ruimer station. Hij ontwerpt een monumentaal gebouw in neogotische stijl dat opgetrokken wordt ter vervanging van het neoclassicistische.

Vanaf 1899 rijpt de gedachte om het neogotische station te slopen en een nieuw station buiten de vestingen van Brugge aan te leggen. Het toenemende treinverkeer vergroot namelijk teveel de druk op de binnenstad.

In 1909 wordt begonnen met het ophopen van de bestaande spoorlijn Oostende-Brussel. Daardoor hopen de Bruggelingen op een betere doorstroming van het verkeer. Circa 1912-1913 starten de onteigeningen voor de bouw van het nieuwe station. Aan de hand van een voorontwerp van een spoorwegarchitect schrijft de NMBS een wedstrijd uit voor het definitieve ontwerp, dat wordt gewonnen door de Brusselse architecten Josse en Maurice Van Kriekinge. Door de Eerste Wereldoorlog duurt het echter tot 1936 voor het nieuwe station wordt gebouwd; het bestaande station op 't Zand wordt in 1948 - niet zonder protest - gesloopt en het plein heraangelegd.

Het huidige station is opgetrokken in de Internationale Stijl; het opzet wordt gekenmerkt door een klassieke zin voor monumentaliteit. Meer bepaald is dit gebouw een voorbeeld van "modern classicisme".

De hoofdvleugel is symmetrisch opgebouwd en telt drieëntwintig traveeën. Het wordt geritmeerd door een hoger middenrisaliet van vijf traveeën, dat gedomineerd wordt door een (recent vernieuwde) luifel. Oorspronkelijk flankeerden twee vlaggenmasten het risaliet waarop nog steeds de letter B (symbool van de Belgische spoorwegen) is aangebracht. De hoge, verticale vensterpartijen van de zijtraveeën worden geaccentueerd door een brede arduinen lijst.

Het gebouw heeft een plattegrond in de vorm van een winkelhaak. Het hoofdgebouw is evenwijdig met de sporen ingeplant. De inkomhal heeft imposante afmetingen en staat in verbinding met de bagageafdeling. Het inlichtingenkantoor en het buffet (vroeger de wachtzalen) zijn er rond gegroepeerd. In de rechtervleugel bevindt zich het postkantoor van Brugge X. De bagageafdeling en het postkantoor zijn verbonden met de goederentunnel die de vijf perrons langs liften kan bereiken. In de hoofdvleugel zijn op de verdieping de burelen van de technische diensten en een woning voor de stationschef ondergebracht.

In 1997 werd de voorgevel van het stationsgebouw grondig gereinigd.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/77850)

stationshall

Opmerkelijk in de lokettenzaal is de muurschildering van 18m lang en 90m². Het is van de hand van René De Pauw en getiteld "Mijn landeken ten eere".

René De Pauw (Pittem 1888-Brussel 1946) studeerde oorspronkelijk rechten te Gent maar koos na het overlijden van zijn vader definitief voor de schilderkunst en zette zijn studies verder aan de academie te Brugge. Na de Eerste Wereldoorlog vestigde hij zich te Brussel maar keerde dikwijls terug naar zijn geboortestreek. Zijn geliefde onderwerpen waren portretten, bloemstukken, landschappen, kerkinterieurs en vooral visserstaferelen. Vertrokken vanuit een lief, charmerend maar bevreemdend helder impressionisme werd De Pauws koloriet gaandeweg somberder en kregen zijn figuren een hoekiger, robuuster uitzicht.

Het geheel bestaat uit drie luiken: het centrale luik bestaat uit 56 panelen die kunnen worden afgenomen. De twee zijluiken zijn rechtstreeks op de muren geschilderd. Het geheel wordt gekenmerkt door historische, culturele en anekdotische details en vormt een unicum in de wereld van het spoor.

een zijpaneel

Op het middendeel staat Brugge centraal, omringd door andere West-Vlaamse centra, terwijl de zijkanten overige Vlaamse steden en Wallonië uitbeelden. In de rechter benedenhoek van het middenpaneel heeft de schilder zichzelf afgebeeld en de titel geschreven op een schildersezel.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/77850)

centraal staat Brugge tussen andere West-Vlaamse steden

de schilder himself

een klein deel van een zijpaneel

Het eerste gedeelte van de wandeling vertrekt vanuit het station en gaat via het Minnewater naar het centrum

eerste gedeelte van de wandeling, in het paars de weg naar het centrum, de groene kleur het vervolg na het bezoek aan het centrum

we volgen de Begijnenvest,

aan de stadszijde is er een parkje om door te wandelen

op regelmatige afstand is er of zijn er zitbanken

we komen voorbij het standbeeld met de buste van Hendrik Pyckery, mos en wier geven het beeld zijn groene kleur

Hendrik (geboren Henricus Eugenius) Pickery (Brugge, 17 september 1828 – Brugge, 27 juli 1894) was een Belgische beeldhouwer en leraar aan de Vrije Academie voor Schone Kunsten te Brugge.

Hij was de zoon van bakker Albert Pickery en Barbara Dubois. De bakkerij, eerst gevestigd aan de Langerei, later aan de Eiermarkt, was vooral vermaard voor het bakken van Nœuds de Bruges of Brugse achten. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Hendrik_Pickery)

de Poertoren

Vrijstaande toren, gebouwd in 1398-1401 door Jan Van Oudenaarde; van de 15de eeuw tot het eerste kwart van de 20ste eeuw, buskruitopslagplaats zie benaming; in 1665 enkele jaren ingericht als voldermolen; kelders al voor 1785 gebruikt als ijskelder.
Gerestaureerd in 1989-1991 naar ontwerp van architect A. Cottyn (Brugge). Rond, bakstenen toren van drie bouwlagen, vlak afgedekt. Aanpalend polygonaal traptorentje met tentdak en spleetvormige schietgaten. Drie venstertjes op de eerste en tweede bouwlaag. Links van traptoren, toegang naar kelderverdieping met erboven laaddeuren van bovenverdieping.
Interieur. Kelder overkluisd door achtdelig kruisribgewelf op natuurstenen consoles; eerste en tweede bouwlaag door middel van bakstenen koepelgewelven.

(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200722)

de Poertoren staat vlakbij de brug(om de ringweg rond Brugge te kunnen wandelen) over het Minnewater

zicht op de noordoostelijke hoek van het Minnewater

zicht richting zuidoosten

Minnewater: (https://nl.wikipedia.org/wiki/Minnewater)
Het Minnewater is een langwerpig meertje in het centrum van Brugge. Het is omgeven door de vesten en het in 1977-'79 aangelegde Minnewaterpark. Ten noorden van het Minnewater loopt een straat met dezelfde naam.
Ten zuiden van Brugge vloeiden verscheidene zijriviertjes en beken in de Reie. De Kerkebeek, bijvoorbeeld, vloeide in de Reie net voor het kruisen van de vestingsgracht. Al dat water liep Brugge binnen via het Minnewater.

de vele waterlopen welke in en om Brugge al dan niet stromen

Het Minnewater zelf is geen natuurlijk meertje, maar ontstond wellicht in de 13e eeuw als een soort stuwmeertje en bufferbekken, op het ogenblik dat ter hoogte van het huidige sashuis sluizen gebouwd werden. Dit was nodig om de watertoevoer onder controle te houden. Het debiet van de Reie was nogal wisselend. De laagstgelegen delen van de stad liepen onder water bij plotse dooi of langdurige regenval. Zolang daar niemand woonde, vormde dit geen probleem, maar naarmate de stad verder uitbreidde en ook lagergelegen gebieden, zoals de Meersen, bebouwd werden, wat vooral in de 13e eeuw het geval was, werd men verplicht de grillen van de Reie te beheersen.

Het Minnewater was tot 1784 de aanlegplaats van de Gentse barge (Gentse Barge was een trekschuit die op het kanaal tussen de Belgische steden Gent en Brugge voer. In tegenstelling tot de meeste andere trekschuitdiensten, was de Gentse Barge bijzonder luxueus en comfortabel ingericht). Later legde de barge aan bij de Katelijnepoort

Over het ontstaan van de naam bestaan verschillende theorieën. Volgens sommigen komt het van Middenwater (een kom). Anderen denken dat minnen een synoniem is voor mennen, het beheersen van het water van de Reie dus.
Louis Gilliodts en Karel De Flou, hierin bijgetreden door Albert Schouteet, waren van oordeel dat Minne synoniem was van Meene destijds synoniem was van Gemeente en het Minnewater
derhalve een Gemeentelijk Water was.
Frans Debrabandere betwist dat de klankvervorming van 'meene' naar 'minne' hier kan van toepassing zijn. Hij zegt, hierin Maurits Gysseling volgende, dat het water zijn naam ontleend heeft aan de Minnebrug. Het middeleeuwse volksgeloof was overtuigd dat minnen of watergeesten en waterduivels rond grote wateroppervlakten spookten en hierbij onder bruggen huisden.

Een opvallend gebouw op de oostelijke oever van het Minnewater is het kasteel della Faille. Dit neogotische kasteeltje werd in 1893 gebouwd naar het ontwerp van architect Karel De Wulf.

kasteel della Faille

Kasteeltje in neogotische/ neo-Brugse stijl naar ontwerp van architect Charles De Wulf (Brugge) gebouwd in 1893 en aanleunend bij het middeleeuwse type van complex huis. Vrijstaand gebouw op quasi L-vormige plattegrond met in oksel aanbouw met aanpalende toren. Typische baksteenbouw in combinatie met natuursteen voor sierelementen. Kenmerkend voorkomen van trapgevels, kruiskozijnen gevat in samengestelde bogen met maaswerkversiering en afgeschuinde dagkanten; typische schoorsteenschachten. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82071)

Ten noorden van het Minnewater bevindt zich het Begijnhof Ten Wijngaerde. Ten westen van het Minnewater, aan de Professor Dr. J. Sebrechtsstraat, ligt de voormalige Minnewaterkliniek.

buitenmuur van de Minnewaterkliniek

Huize Minnewater

Huize Minnewater, in 1978 wordt beslist de kliniek in te richten als rust- en verzorgingstehuis voor bejaarden, voorheen zogenaamd "Minnewaterkliniek". Ruim neogotisch complex van 1885-1892 naar ontwerp van architect L. Delacenserie (Brugge) dat zich over de hele straatlengte uitstrekt.
1820: de zusters van liefde (opgericht in 1803) zenden twee zusters naar Brugge om oude, zieke en hulpbehoevende vrouwen te helpen. Ze vestigen zich in de Oude Burg.
1824: aankoop door de zusters van het voormalig Kartuizerinnenklooster zie Kartuizerinnestraat nummer 4.
1880: architect L. Delacenserie (Brugge) krijgt opdracht van de Commissie van de Burgerlijke Godshuizen tot het bouwen van een gasthuis voor bejaarde vrouwen. 1886: aanvatten van het werk op het einde van de meers op oude bleekweiden van het Begijnhof en ontwerpen van een nieuwe straat. Het complex omvat onder meer: het lange gebouw met noordgevel aan de straat: kloostervertrekken in de oostvleugel, aansluitende inkompartij met aanleunende haakse kapel en diensten en hospitaalaanhorigheden ondergebracht in de westvleugel met haaks daarop vier ziekenzalen. Voorts dienstgebouwen met portierswoning, huis van de aalmoezenier zijnde directeur zie nummer 2 met tuinmuur en ingangspoort van het Begijnhof. Het ontwerp voorziet eveneens een soort van pandgang aansluitend bij de oostvleugel, met centraal kinderpaviljoen in de zuidvleugel en hierop aansluitend nogmaals vier haakse gebouwen. 1891: ontwerpen van hoekhuis met de Oostmeers.
1892: het complex met naam Sint-Antoniusgesticht, wordt ingewijd door bisschop Faict.
1935: door toedoen van Prof. Dr. Sebrechts wordt het gasthuis bij het Sint-Janshospitaal gevoegd. De bejaarden verhuizen naar andere instellingen, het gasthuis wordt als Minnewaterkliniek heringericht.
1947: in gebruik name van het Sint-Janshospitaal als ziekenhuis voor heelkunde.
1976: het Sint-Janshospitaal verhuist naar een nieuwe vestiging op Sint-Pieters.
1978: Minnewaterkliniek wordt rust- en verzorgingstehuis met latere toevoeging van palliatieve dienst; aanpassings- en uitbreidingswerken naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge) gebeuren in verschillende fasen.
1991: aanleg van de parking. 1999: ingebruikname van de vernieuwde rechter vleugel met verbinding per twee van de tuinzalen
.

bij het noordelijk uiteinde van het Minnewater bevindt zich het Sashuis

mondmaskerplicht in het centrum van Brugge

"Sashuis" gebouwd boven de sluis. Zeldzaam voorbeeld van stuw- en afsluitwerk voorzien van drie stuwgaten, waarvan één dichtgemetseld (links), één voorzien van ijzeren afsluitplaat (rechts) en centraal afgesloten door een houten deur met natuurstenen middenstijl. Vrijstaand pand, eertijds gebouwd in 1519 naar aanleiding van herbouw van het sluizencomplex met het oog op waterhuishouding en waterpeilbeheersing van de binnenreien. In 1895-1896 grondig gerestaureerd naar ontwerp van architect L. Delacenserie (Brugge). De sluis is buiten gebruik sinds de jaren 1970. Constructie van één bouwlaag parallel aan de Sashuisbrug (1895); drie traveeën onder zadeldak (leien), mogelijk met 16de-eeuwse kern.

Poortgebouw van het begijnhof bij de Sasbrug

Poortgebouw aan Sasbrug, eventueel te identificeren als de zogenaamde "Koepoort", bakstenen poort met gekanteelde poort uit het vierde kwart van de 19de eeuw - eerste kwart van de 20ste eeuw. Grote tudorboogpoort met afgeschuinde dagkanten onder een gevelsteen met opschrift "PRINSELIJK/BEGIJNHOF/TEN WIJNGAARDE/GESTICHT TEN JARE/MCCXXXXV".

Door deze poort stappen we binnen in het voormalige Begijnhof, het enige resterende in Brugge

de eerste gebouwen zijn in baksteen

Begijnhof Ten Wijngaerde:
Het Begijnhof van Brugge, ontstaan aan de zuidrand van de eerste omwalling, bestaat uit een begraasd en beboomd binnenplein met omringende huizen en klooster en ten zuiden daarvan "de steert", een sinds 1890 doodlopend straatje; hierdoor behoort dit Begijnhof tot het gemengde type. Het grondgebied van de parochie was oorspronkelijk groter en omvatte aan de noordoostelijke kant het Walplein en Wijngaardstraat, aan de zuidkant liep met zijn bleekweiden en grachtje tot aan de tweede omwalling uit het vierde kwart van de 13de eeuw. Marcus Gerards (1562) tekent de site begrensd door de Reie, muren en/of grachten; het gebied wordt doorkruist door een rei lopend van Capucienenrei tot de Reie: het uitzicht van het noordelijk deel met de Begijnhofkerk en binnenplein komt nagenoeg overeen met het huidige. Het zuidelijk deel, over de brug, wordt voorgesteld met bebouwing rondom een onregelmatig binnenplein en aan een straatje zogenaamd het "Koegat" met poort uitkomend op de Oostmeers. De Poppkaart (1865) neemt voor dit gedeelte alleen "de doorgang van het begijnhof " op. De circa 1890 aangelegde Gasthuisstraat, heden Prof. Dr. J. Sebrechtsstraat, volgt grotendeels het tracé van het voormalige "Koegat"; het Begijnhof wordt dan tot zijn huidige omvang gereduceerd, vandaar het ontstaan van de naam "de steert". Tezelfdertijd worden de toen nog bestaande bleekweiden ingenomen door de zogenaamde Minnewaterkliniek. Heden begrensd: aan de oostkant door Begijnenvest, Minnewater en de Reie, aan de zuidkant door de Prof. Dr. J. Sebrechtsstraat, aan de westkant door achtertuinen van de huizen aan de Oostmeers en aan de noordkant door het Wevershof en afgescheiden door een gracht. Laatst genoemde maakt
deel uit van een grachtengordel die het N.-deel van het Begijnhof helemaal omsluit en nu gedeeltelijk is gerioleerd.

De begijnenbeweging, ontstaan in de 12de eeuw, verspreidde zich weldra over heel Europa in de loop van de 13de eeuw, ondanks de tegenstand van de Rome. In de Lage Landen genoten de begijnen veelal de steun van de genoten van de plaatselijke adel en zelfs van sommige religieuzen. De algemene veroordeling van het begijnenwezen in 1311 werd hier na gunstig onderzoek opgeheven in 1328. Meestal ontwikkelden de begijnhoven zich buiten de eerste stadsmuren als kleine, religieus en economisch onafhankelijke entiteiten. De plattegronden, die worden beïnvloed door de plaatselijke topografie en de gegeerde nabijheid van het water, gaan grosso modo terug op het pleintype, het stratentype en het gemengde type als resultaat van de combinatie van beide naar aanleiding van een voornamelijk 13de-eeuwse uitbreiding. De vaste componenten zijn doorgaans de kerk met kerkhof, conventen (of gemeenschapshuizen voor jonge of behoeftige begijnen), infirmerie, Huis van de Grootjuffrouw, Heilige Geesthuis of Tafel van de Heilige Geest voor de armenzorg, hoeve met landerijen, en dries of bleekhof. Het geheel werd ommuurd en voorzien van één of meerdere ingangspoorten. De pastorie lag hierbij normaliter in de nabijheid maar buiten het Begijnhof (Wijngaardplein nummer 15). Bij mogelijke stadsuitbreiding werden de hoven als randgebied opgenomen in de ruimere omwalling.
Tweede kwart van de 13de eeuw: enkele begijnen vestigen zich buiten de toenmalige stadsomwalling aan de linker oever van de Reie op de plaats zogenaamd "Vinea supra Roiam" of "Wingarde", vermoedelijk refererend aan een vochtige, laag gelegen plaats.
1242: een document vermeldt de bescherming van de begijnen door gravin Johanna van Constantinopel.
1244: met toestemming van Walter de Marvis, bisschop van Doornik, wordt een afzonderlijke parochie gesticht en een eigen kerk gebouwd.
1245: vermelding van een infirmerie.
1299: de Franse koning, Filips de Schone onttrekt het Begijnhof aan de Brugse jurisdictie en plaatst het onder zijn bevoegdheid. Vanaf nu krijgt het de titel van "Prinselijk Begijnhof ".
Circa 1297: het Begijnhof ligt binnen de stadsmuren door de aanleg van de tweede stadsomwalling. 1300: oudste geschreven regel waarin een leven van gebed, arbeid en zelfverloochening wordt nagestreefd.
1338: stichting van het Dopsconvent. In de loop van de 15de eeuw: volle ontplooiing van het Begijnhof dat nu beschikt over een eigen boerderij en brouwerij; de begijnen komen meer en meer uit welgestelde families.

1441: herziening van de statuten naar aanleiding van bestuurscrisissen: de hertog krijgt een sterkere greep op het beheer.
1477: de huwelijksplechtigheid van Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk gaat door op het Begijnhof.
1566: de beeldenstorm laat er geen diepgaande sporen na. <
1584: een brand teistert de kerk; ze wordt ten dele herbouwd en aangepast.
1605: de kerk wordt opnieuw in gebruik genomen. Na de contrareformatie volgt een periode van grote bloei, het Begijnhof heeft talrijke bezittingen. Eerste kwart van de 17de eeuw: het leven binnen het Begijnhof wordt volledig gereorganiseerd en
in 1622 worden de statuten gewijzigd. Tijdens het Frans Bewind: het hof blijft gedeeltelijk bestaan, de begijnen worden niet zoals elders verjaagd maar nieuwe intredingen worden niet toegestaan, godsdienstbeoefening is verboden.
Eind 18de eeuw: het Begijnhof wordt een caritatieve instelling, bezittingen worden in 1798 overgedragen aan het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen. Vanaf 1803: de eredienst wordt opnieuw ingevoegd.
8/9/1814: de begijnen krijgen de toelating om opnieuw hun religieus habijt te dragen.
19de eeuw: periode van spiritueel verval, weinig nieuwe "roepingen" en financiële ontreddering door toedoen van het liberale stadsbestuur.

Vierde kwart van de 19de eeuw: oprichten van de Minnewaterkliniek op de blekerijgronden van het hof en doortrekken van de Professor Dr. J. Sebrechtsstraat. De weinige begijnen moeten op hun rente leven, daarnaast huren seculiere vrouwen de leegstaande huisjes.
1905: op het Begijnhof leven nog slechts zeven begijnen.

Eerste Wereldoorlog: het Begijnhof biedt een onderkomen aan de Brugse seminaristen en gevluchte begijnen uit Mechelen. Na de Eerste Wereldoorlog: het Begijnhof wordt bedreigd door herbestemming voor wereldlijke doeleinden. R. Hoornaert, pastoor vanaf 1922, zet zich in om, naast het verwerven van financiële middelen voor de heropbouw, ook nieuwe begijnen aan te trekken. 1924: de pastoor herwerkt de leefregel; het opknappen van verkommerde huizen wordt aangevat. 1925: intrede van de laatste begijn.
1926: opening van een gasten- (nummer 22) en novicenhuis (nummer 3). 1927: stichting van een benedictinessenklooster met de naam Dochters van de Kerk bestaande uit een fusie van: het klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Bethanië, sedert 1921 gevestigd in Sint-Andries, de Filles de Saint-Benoît uit Nîmes en de nog aanwezige begijnen.
1928: vervanging van de zieke olmen op het binnenplein door populieren.
1931: afscheiding tussen de gehuurde boomgaard en de Oostmeers.
1934: verwerving van een honderdjarige pacht door de vzw Prinselijk Begijnhof. 1935: stichting van "De vrienden van het Brugs Begijnhof" met als doelstelling het behoud en restauratie van de middeleeuwse site; het huisje nummer 1 wordt Begijnhofmuseum.
1937-1939: oprichting aan de westkant van nieuwe kloostergebouwen naar ontwerp van architect L. Viérin (Brugge) achter de panden nummers 24-28 die in het complex worden geïntegreerd en aansluitend het nieuwe gastenverblijf nummer 22 a-b. In dezelfde bouwfase krijgen de huizen nummers 8-20 ommuurde voortuinen.
20/02/1939: bescherming van de kerk en gebouwen als monument en het ensemble als landschap Tweede Wereldoorlog: het klooster herbergt een schilderijenverzameling die er in 1959 als legaat de Man, geschonken door Jeanne de Man (1868-1969), een permanente plaats krijgt. Legaat bestaat uit 35 schilderijen met 20 familieportretten daterend van circa 1560 tot 1725 en zes Brugse stadsgezichten onder meer "De zeven wonderen van Brugge" van P. Claeissins de Oude (1499-1576). 1944: tijdens de bevrijding van Brugge lopen kerk en klooster zware schade op.
1962: de zustergemeenschap wordt opgenomen in de orde van de benedictijnen.
1972: het hof wordt stadseigendom, aanvang van een grondige restauratiecampagne van de huizen, naar ontwerp van dienst monumentenzorg en ontwerpbureau gebouwendienst van de Stad; restauratie van de huizen, grotendeels voltooid in 2002, ze gebeurt pand na pand waarbij de
bestaande vormgeving wordt hersteld met aanpassingen in functie van een beter wooncomfort; restauratie van de kerk in 1990-1991.
4.07.1996: bescherming van het ensemble als monument, samen met vier andere monumenten opgenomen in het beschermde stadsgezicht Minnewater. 1998: samen met twaalf andere representatieve Vlaamse begijnhoven opgenomen in de Werelderfgoedlijst van Unesco.

(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/122155)

2  Breedhuizen in het Brugse Begijnhof

Twee breedhuizen van respectievelijk vier en twee traveeën en twee bouwlagen onder gezamenlijk zadeldak (Vlaamse pannen), in de middeleeuwen één gebouw, wellicht teruggaand tot 13de-14de eeuw, zie gebinte, waarschijnlijk circa 1600 opgesplitst, zie dwarsmuur en schoorsteen en verbouwd onder meer zie linker zijgevel; eerste kwart van de 20ste eeuw: ingrijpende restauratie van de zijgevels. Restauratie in 1994.

het grote centrale plein in het Begijnhof. Rond het plein staan de meeste huisjes

Begijnhofkerk toegewijd aan de Heilige Elisabeth van Hongarije

Begijnhofkerk toegewijd aan de Heilige Elisabeth van Hongarije en gelegen in het oostelijk deel van het Begijnhof. Georiënteerde pseudo-basilicale kerk met gotische en barokke stijlkenmerken. De eerste vroeggotische kerk gaat terug tot midden 13de eeuw. Oorspronkelijk lagere zijbeuken en ronde bovenlichten in de middenbeuk zie kaart van Marcus Gerards (1562). In 1584 legt een brand de kerk grotendeels in puin, enkel de oostgevel blijft bijna helemaal gespaard; de herbouw tussen 1604-1609 is waarschijnlijk een reconstructie van de vorige kerk, het zadeldak van de beuk wordt opgetrokken. In een derde fase, in het vierde kwart van de 17de eeuw tot het eerste kwart van de 18de eeuw: optrekken van de zijbeuken, de kerk heeft nu een pseudo-basilicale opbouw, de spitsboogvensters worden vervangen door huidige segmentboogvensters, de ronde bovenlichten zijn nu aan het zicht onttrokken. Restauratiewerken uitgevoerd in 1990-1991.

begijnenhuis

Heden Liturgisch Centrum. Samenstel van twee naast elkaar liggende diephuizen onder zadeldaken (Vlaamse pannen) en lager ingangsgedeelte, vierde kwart van de 16de eeuw(?)-17de eeuw, ingrijpende restauratie in 1957. Links: drie traveeën en twee bouwlagen. Vóór de restauratie in 1957: tuitgevel met deur waarboven maaswerk in middelste travee, het maaswerk was verdwenen boven vensters van begane grond en in de geveltop vervangen door groot zolderluik, vensters met schuiframen.
1957: verbouwen tot trapgevel, op begane grond vervangen van deur door venster en plaatsen van gekoppelde rondboogjes boven de benedenvensters zie sporen; aanbrengen in de getrapte top van rondboognis met maaswerk zie bovenverdieping en overal inbrengen van bolkozijnen met glas-in-loodramen.
1999: restauratie van gevels en daken.
Heden trapgevel (7 treden + topstuk),

enkele Diephuizen

Eens buiten het begijnhof krijgen we weer zicht op waterlopen

de Bakkersrei

uitgang van het begijnhof via de Wijngaardbrug

Begijnhofbrug, ook Wijngaardbrug, in 1297 vermeld als houten brug, ook nog bij Marcus Gerards; in 1692 vervangen door stenen brug zie huidig; smeedijzeren leuning van 1740 naar ontwerp van W. De Potter is versierd met druiventrossen en wijngaardranken (zie letterlijke interpretatie van "ten wijngaarden"). Drieledige boogbrug met gebruik van kalkzandsteen, 18de-eeuwse cartouches op de sluitstenen met opschrift "ANNO" en "1776". Vóór de brug : arduinen grenspaal.

zicht vanop deze brug

we komen in rustige straatjes en op pleintjes. Heel wat gebouwen zijn horecazaken, nu, wegens corona, al enkele maanden gesloten

een droogstaande fontein met paardenkop, op de achtergrond een winkel waar kant verkocht wordt, specialiteit van Brugge. Maar ….

Het VTM programma dat toeristenbedrog opzoekt kwam ook in Brugge eens kijken. De ‘artisanale’ kant komt uit lage loonlanden, echte handgekloste kant is veel en veel te duur, geen enkele toerist koopt het. Lees maar eens http://www.on4ckz.be/environment/Brugse kant uit Chineese fabriek.pdf

We komen bij de Brugse brouwerij ‘Halve Maan’

gelegen in het huis met de trapgevel

onmiskenbaar, de brievenbus van het gebouw

Huisbrouwerij ‘De Halve Maan’: (https://nl.wikipedia.org/wiki/Brouwerij_De_Halve_Maan)
De Brouwerij De Halve Maan, ook bekend als Brouwerij Henri Maes, is een brouwerij, lange tijd een familiebedrijf, gevestigd in de Belgische stad Brugge.
Het stadsregister vermeldt reeds in 1564 het bestaan van een brouwerij Die Maene aan het Walplein.

In 1856 werd Henri (Leon) Maes eigenaar van het pand en met de steun van zijn oom, kanunnik Petrus-Johannes Maes, bouwde hij Die Maene uit tot een moderne brouwerij: De Halve Maan. Men brouwde toen op een ambachtelijke manier troebel en zurig bier van hoge gisting met een beperkte houdbaarheid. Dit werd al eeuwen zo gedaan. De productie en verdeling gebeurde ook alleen maar in tonnen.
Zonen Henri II en Achère namen na de dood van Henri I (1867) de brouwerij over. Henri II ging in volle industriële revolutie in Engeland de nieuwste technieken leren, om deze later in Brugge toe te passen. Zo werden bij De Halve Maan een mouterij en een eest opgetrokken en werden Engelse bieren zoals stout en pale ale gebrouwen. Vanaf 1883 nam de productie gestaag toe, nadat de broers hadden geïnvesteerd in een moderne stoomketel. In 1905 overleden Achère en Henri II echter op jonge leeftijd en hun weduwen zetten de brouwerij voort.
In 1919 nam Henri III de touwtjes in handen. Op dat moment was Duitsland toonaangevend op brouwkundig vlak, dus ging Henri daar extra brouwerskennis opdoen. Hij leerde er de bieren van lage gisting kennen en besloot om ook dergelijke bieren in Brugge te gaan brouwen. In 1928 investeerde hij hiertoe in nieuwe koelinstallaties. Hij lanceerde "Bock", een licht pilsbier, wat de verkoop gevoelig deed stijgen. Tijdens de jaren 1930 begon hij ook aandacht te schenken aan de nieuwste trends van softdrinks (cola en limonade) en waters. Van thuisbedeling met paard en kar maakte Henri III een specialiteit. In 1946 nam hij de naastliggende brouwerij Brugge Zeehaven over, wat grote verbouwingswerken mogelijk maakte. Dit was nodig voor de stijgende productie. Het complex kreeg toen ongeveer zijn huidige vorm, met een koelschip, een grote moutvloer en een eest naar Duits model.
In de jaren 1950 werd Henri IV ook in de brouwerij actief. De brouwerij kende een sterke groei, met thuisbedeling als grote troef. Het tafelbier en de "Domino"-limonades deden het toen erg goed. Men had een hele ploeg ter beschikking die met paard en kar en later met vrachtwagens in West-Vlaanderen dranken aan huis leverde. Tijdens de jaren 1970 veranderden de leefomstandigheden echter vrij drastisch, waardoor het sterktepunt van de brouwerij het zwaktepunt werd. Warenhuisketens werden steeds populairder, maar de brouwerij was te kleinschalig om daar te kunnen leveren.
In 1981 brouwde Henri IV, die ondertussen de hulp van zijn dochter Véronique had gekregen, een
speciaal "straf" bier van hoge gisting naar aanleiding van de inhuldiging van een beeld van Sint Arnoldus, de patroonheilige van de brouwers, in Brugge. Het bier kreeg de naam "Straffe Hendrik", naar de verschillende generaties Henri Maes, en kende een groot succes. Tijdens de jaren 1980 vormde men de brouwerij om tot een huisbrouwerij, opengesteld voor het publiek. De voormalige bottelarijen en mouterij werden ingericht tot gelagzalen. Véronique Maes liet hierbij de industrieel archeologische site restaureren. Het merk en het handelsfonds van Straffe Hendrik werden in 1988 echter door Brouwerij Riva uit Dentergem overgenomen. De productie in Brugge werd sterk teruggeschroefd, om ze in 2002 uiteindelijk te beëindigen en in Dentergem voort te zetten.
Xavier Vanneste, zoon van Véronique Maes en de huidige bedrijfsleider, startte in 2005 de brouwerij opnieuw op na een grondige renovatie en modernisering van de brouwinstallatie. Het nieuwe bier Brugse Zot werd gelanceerd. Het bier viel onmiddellijk in de smaak, zowel in Brugge als ver daarbuiten. Na het winnen van verschillende prestigieuze kwaliteitsprijzen op het allerhoogste niveau voor het bier, en door de stijgende populariteit ervan, moest de brouwerij haar capaciteit al meerdere keren zwaar uitbreiden. In 2005 verhuisde tevens het Brouwerijmuseum van de voormalige brouwerij De Gouden Boom, waarvan de gebouwen aan een projectontwikkelaar waren verkocht, naar de kelderverdieping van De Halve Maan.
Door het faillissement van Liefmans Breweries uit Dentergem in 2007 kwam het biermerk Brugse Straffe Hendrik tijdelijk in handen van Duvel-Moortgat. In 2008 sloot De Halve Maan een koopovereenkomst met Duvel-Moortgat voor het merk. De Halve Maan begon de Straffe Hendrik opnieuw te brouwen zoals dat oorspronkelijk werd gedaan: een tripel van 9%. Liefmans had van Straffe Hendrik namelijk een blonde en bruine versie van respectievelijk 6 en 8,5% gemaakt.
In het najaar van 2008 werd tevens het seizoensbier Brugse Bok voor het eerst gebrouwen. Vanaf september is dit bokbier telkens in beperkte hoeveelheid beschikbaar.
Sinds 2010 beschikt de brouwerij ook over een eigen bottelarij en logistiek centrum op het bedrijventerrein Waggelwater. De activiteiten die daar plaatsvinden werden voorheen uitbesteed aan een brouwerij uit Melle. Voor de nodige installaties werd de brouwerij Wolf in het Duitse Fuchsstadt overgenomen. Die werd ontmanteld, waarna de bottellijn en vatenlijn naar Brugge werden overgebracht. Ook werden zeven grote nieuwe tanks geplaatst, die samen 320.000 liter bier kunnen opslaan.
In het najaar van 2010 werd Straffe Hendrik Quadrupel gelanceerd, een zware versie van de tripel Straffe Hendrik, met een alcoholpercentage van 11%.
In 2019 werd de productie en commercialisatie van het witbier Brugs Tarwebier door de De Halve
Maan overgenomen van Alken-Maes. Het bier werd oorspronkelijk gebrouwen door brouwerij De Gouden Boom. Het biermerk kwam in 2000 echter in handen van Alken-Maes, die de naam wijzigde in "Brugs". De productie van het bier werd na de overname van brouwerij De Gouden Boom door Brouwerij Palm in 2003 en de sluiting in 2004 verplaatst naar achtereenvolgens brouwerij Palm en Alken Maes. Na de overname van het bier stuurde De Halve Maan het recept opnieuw bij, meer in de richting van het origineel, en wijzigde de naam terug in "Brugs Tarwebier".

In september 2016 nam de brouwerij een dubbele bierpijpleiding in gebruik die de brouwerij aan het Walplein verbindt met bottelarij in het Waggelwater. De leiding, die zowel Brugse Zot als Straffe Hendrik vervoert, is 3,2 km lang en zit op sommige plaatsen 34 meter diep onder de grond. Doel was het bannen van de vele tankwagens in de Brugse binnenstad, die samen zowat 5 miljoen liter vervoerden

Brugse Zot

Straffe Hendrik

Brugs Tarwebier

In betere tijden kan je hier binnen en op het binnenplein de creaties proeven

een kunstwerk (1982) van Jef Claerhout uit Oedelem ‘de goden bezoeken brugge’

Geplaatst naar aanleiding van de heraanleg van het Walplein in 1982.
Zeus, Prometheus, Pegasus en Leda afgebeeld als respectievelijk Brugse zwaan, koetsier, paard en naakte vrouw. De inspiratie werd o.a. gezocht bij de roman Malpertuis van Jean Ray.
(https://zoeken.erfgoedbrugge.be/detail.php?id=1064548)

Aan het Walplein te Brugge staan geregeld grote groepen voor zijn Vliegende Koetsier, een mythologisch geïnspireerde kopersculptuur met de oppergod Zeus als zwaan in een Brugse koets, met een vliegend paard en een koetsier met hoedje op de bok. (https://www.dbnl.org/tekst/_ons003198401_01/_ons003198401_01_0009.php)

(spijtig dat er overal auto’s geparkeerd staan) Kunstenaarswoning Jules Dobbelaere

linker gedeelte van deze kunstenaarswoning

Samenstel van twee diephuizen Opgetrokken in 1905 naar ontwerp van architect Louis Ernest Charels (Brugge) als woonhuis van glazenier Jules Dobbelaere ter vervanging van ouder breedhuis, zie anoniem schilderij van vóór 1871 uit Groeningemuseum. Verankerde bakstenen trapgevels (5 en 7 treden + topstuk) met uitgesproken neobarok karakter getypeerd door het gebruik van euvillesteen voor de sierelementen zoals de geblokte boogfries op consoles, negblokken, kruisvensters, deuromlijsting enzovoort. In centraal boogveld, bas-reliëf met voorstelling van wijnlosser volgens Ballegeer verwijzend naar de mogelijke locatie van een tolhuis hier.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82232)

Naast dit huis is er een toegang tot een smal steegje

het steegje

tweede deel van de wandeling, richting naar en in centrum

In de Katelijnestraat stappen we op de Mariabrug over de Bakkersrei, op het water varen tijdens een normaal toeristisch seizoen, toeristenboten. We komen in de Mariastraat

zicht van op de brug, rechts muren van het Oud Sint-Janshospitaal

Oud-Sint-Jans-Hospitaal: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82360)
Sint-Janshospitaal – Memlingmuseum
Hospitaaldomein palend ten oosten aan de Maria- en Heilige-Geeststraat, ten zuidoosten aan de Reie, ten zuiden aan het Zonnekemeers, ten westen aan de Oostmeers, ten noorden aan de Goezeputstraat.
Opgericht in de 12de eeuw op laaggelegen graslanden, tegenover de Onze-Lieve-Vrouwekerk, naast de Mariapoort en net binnen de omwalling van 1127-1128. Doelgerichte aanleg, enerzijds aan de Reie en de in 1856-1859 gedempte Reie-arm, anderzijds vlakbij de oudste stadskern aan de Oude Burg en aan de belangrijke handelsweg leidend van Gent en Kortrijk via de Steenstraat naar het noorden. Tussen de 14de eeuw en 1788 aan noordzijde begrensd door het in de Goezeputstraat gelegen klooster van de franciscaanse derde ordezusters die zich sinds 1391 voornamelijk toelegden op het verplegen van armen en zieken. Circa 1778 verlaten ze wegens plaatsgebrek de site; de kloostergebouwen worden als eigendom van de (Oostenrijkse) Staat gesloopt in het vierde kwart van de 18de eeuw.
Van het oorspronkelijk goed van circa vier hectare groot, lag vermoedelijk een belangrijk deel van de gronden buiten de 12de-eeuwse omwalling, het hospitaal bezat daarnaast nog eens vier hectare grond ten zuiden van het Zand en talrijke gronden en landerijen buiten de stad.
Marcus Gerards (1562) tekent de site met ziekenzalen, broeder- en zusterklooster, nutsgebouwen en kruidentuin, voorts een ommuurde tuin met kerkhof met ingang aan de Oostmeers en een 15de-eeuws kerkhofkapelletje. De plattegrond van 1837 toont ongeveer dezelfde situatie met onder meer brouwerij, bakkerij, schuren en een uitgestrekte boomgaard en moestuin. Deze maken in de tweede helft van de 19de eeuw plaats voor het nieuwe ziekenhuiscomplex.
De afbakening van het gebied, circa drie hectare, is tot op heden ongewijzigd. Het volledig afgesloten domein is toegankelijk aan de Mariastraat via poortgebouw, via de parking van het Zonnekemeers, aan de Oostmeers via een tudorboogpoort en via twee kleinere ingangen aan de Goezeputstraat.

Heden archeologisch museum, bureaus en ateliers van stadsdiensten, Memlingmuseum en klooster respectievelijk liggend aan de Heilige-Geeststraat, aan de Mariastraat en de Reie.
Door de bouw van de 19de-eeuwse ziekenzalen ontstond aan de oostkant een binnenplein, heraangelegd in 1999, onder meer met een middeleeuwse kruidentuin. De site vervult heden meerdere functies: cultureel namelijk musea, bestuurlijk namelijke stadsdiensten, sociaal-cultureel namelijk kunstencentrum Sint- Jan, religieus namelijk augustinessenklooster, onderwijs namelijk verpleegstersschool.
Circa 1150 (?): opgravingen in 1983 en 1997 wijzen op bestaan van een eerste rechthoekige zaal met langsgevel aan de Mariastraat en dus nok parallel aan de straat.
1188: oudst bewaard document met reglement van een reeds bestaande gemeenschap.
Circa 1234 (volgens dendrochronologisch onderzoek): bouwen van de romaanse toren en middelste ziekenzaal haaks op de eerste zaal.
1227-1228: regeling getroffen door bisschop Walter de Marvis in verband met parochiale rechten tussen het hospitaal en het Onze-Lieve-Vrouwekapittel.
1268 (volgens dendrochronologisch onderzoek): bouwen van de noordelijke ziekenzaal met aansluitend de kerk toegankelijk vanuit de ziekenzaal.
1285-1290 (volgens dendrochronologisch onderzoek): bouwen van de zuidelijke ziekenzaal.
tweede helft 13de eeuw: bouwen van broederklooster en eerste huis aan zuidzijde van de kloostergang.
1310: bouwen van een brouwerij.
1336: uitbreiding en wijding van het bestaande kerkhof.
1413: bouwen midden op het kerkhof van een gotisch, eenbeukig kerkhofkapelletje met transept.
eerste helft 15de eeuw: bouwen van de Sint-Corneliuskapel.
1459: overgang van de lekengemeenschap naar reguliere gemeenschap verder gebaseerd op de regel van de Heilige Augustinus.
1503: bouwen van het portaalgebouw van de apotheek van het broederklooster en kort nadien van de kloostergang + tweede huis aan de zuidzijde ervan.
1539-1544: oprichten van het zusterklooster met uitbreidingswerken tussen 1540-1560, eerste kwart 17de eeuw en 1685.
Midden 16de eeuw: de broeders verlaten het klooster, de zusters nemen bestuur en administratie over.
Circa 1637: vernieuwing van het kerkinterieur.
1643: vestigen van een apotheek in het voormalige broederklooster.
1685: toevoegen van de kapittelzaal aan het zusterklooster.
1796: toewijzen van het beheer aan "De Commissie voor de Burgerlijke Godshuizen". De werking van het hospitaal blijft behouden.
1817: inrichten van een kraaminrichting in het huidige pand Mariastraat 36, heden archeologisch museum.
1820: kerk wordt afgesloten van de nu gecompartimenteerde ziekenzalen.
1856-1858: bouwen van nieuwe ziekenzalen naar ontwerp van architect I. Alleweireldt (Brugge). Daartoe moeten brouwerij, tuin, kerkhof en het kapelletje verdwijnen. Van het plan om de oude nu leegstaande ziekenzalen af te breken wordt afgezien. In de loop van de 19de eeuw worden de zalen onder meer gebruikt als stapelruimte. De kerk blijft in gebruik tot 1984.
1857: de gevels van de middelste en zuidelijke ziekenzaal worden gedeeltelijk hersteld naar ontwerp van architect I. Alleweireldt (Brugge).

1884-1892: op de bleekweide van het Begijnhof wordt aan de nieuw aangelegde Professor Dr. J. Sebrechtsstraat een kliniek voor terminaal zieke vrouwen gebouwd naar ontwerp van architect L. Delacenserie (Brugge).
1895-1913: grondige restauratie van de middeleeuwse ziekenzalen, toren en broederklooster naar ontwerp van architecten C. De Wulf, L. Delacenserie (Brugge) en J. Coomans (Ieper). Soms historiserende aanpak waarbij een eenheid van stijl wordt nagestreefd.
1908-1910: bouwen van de kraamkliniek namelijk Oostmeers 17 naar ontwerp van architect A. De Pauw (Brugge).
1913: achter de gevels van Mariastraat 36 oprichten, ten behoeve van oogkliniek, van neogotische gebouwen naar ontwerp van A. De Pauw (Brugge).
Jaren 1920: ernaast oprichten van gebouwen voor neus- oor- en keelziekten naar ontwerp van architect J. Viérin (Brugge).
1935-1940: ombouwen van kliniek aan de Professor Dr. J. Sebrechtsstraat tot Minnewaterkliniek als onderdeel van het Sint-Janshospitaal; aanleggen van een verbindingsweg met viaduct over Zonnekemeers.
1939: onderbrengen van onder meer schilderijen van H. Memling in de kapittelzaal van het zusterklooster en openstellen voor het publiek.
1949-1961: plannen om de historische ziekenzalen als museum in te richten leiden tot restauratiewerken van de Reiegevel en het interieur naar ontwerp van architect J. Verbeke (Brugge), onder meer plaatsen van dakkapellen in de kerk. Verdeling van de ruimte omwille van het verdere gebruik door het klooster van ziekenzalen en kerk: slechts het oostelijke deel van de zuidelijke zaal wordt als museum ingericht.
1972: overbrengen van de apotheek naar andere locatie; oude apotheekgebouwen worden bij het museum gevoegd.
1976: verhuis van het Sint-Janshospitaal naar een nieuw gebouw op Sint-Pieters. Geleidelijke afbraak van gebouwen uit derde kwart van de 20ste eeuw en aanleg van park en parking.
1978: onderbrengen van de Dienst Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening in de voormalige kraamkliniek aan de Oostmeers.
1979-1985: restauratie naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge) en gedeeltelijke herinrichting van de historische gebouwen als museumruimten. Ontdekking van drie 14de- en 15de-eeuwse grafzerken hoofdzakelijk gesitueerd in de zuidelijke ziekenzaal. De schilderijen van H. Memling krijgen een plaats in de kerk en Sint-Corneliuskapel. Onderbrengen van de dienst archeologie en enkele museumdiensten in de gebouwen aan de Mariastraat.
1986-1994: restaureren van alle gevels van het oude hospitaal naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge).
1991: verwijderen van parasietgebouwen en renovatie van het 19de-eeuwse hospitaal naar ontwerp van architect P. Salens (Brugge), vervangen van de westvleugel door onthaalcentrum naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge), creëren van een Reie-inham aan oostzijde, in gebruik nemen door N.V. Kunstencentrum Sint-Jan.
1996-2001: volledige restauratie van interieur en bedaking van de oude ziekenzalen naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge), zalen en kerk worden weer één ruimte, afbraak van dakkapellen van de kerk, voorzien van museale infrastructuur naar ontwerp van tentoonstellingsarchitect P. Vandebotermet (Kersbeek-Miskom); glazen onthaalruimte en museumshop naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge). Belangwekkende opgravingen geven informatie over onder meer: gedeeltelijke situering van de vroegste ziekenzaal, oud riolenstelsel uitmondend in de Reie, alkoven rustend op bakstenen funderingen teruggaand tot 13de-14de eeuw, 14de-eeuwse vloerfragmenten van ceramiektegels op de begane grond en zolder van de zuidzaal, enkele 17de-en 18de-eeuwse grafkelders.
1997: onderbrengen van het archeologisch museum in gebouwen Mariastraat 36.

gedeelte van het Sint-Janshospitaal waarachter de voormalige ziekenzalen en de kerk

toegang tot de voormalige hospitaalkerk, nu Memlingmuseum

Het Sint-Janshospitaal is één van de oudste hospitaalgebouwen van Europa. De vroegste sporen dateren van midden 12e eeuw. Schilderijen, beelden, meubelen, zilverwerk en tinnen voorwerpen zijn de getuigen van eeuwenlange zieken- en zielszorg op deze plek. De middeleeuwse ziekenzalen en de daarbij behorende kerk en kapel herbergen een imposante collectie kunstwerken en medische instrumenten. (https://www.museabrugge.be/bezoek-onze-musea/onze-musea-en-monumenten/sint-janshospitaal)

beeldhouwwerken boven dit Mariaportaal

Mariaportaal met in de spitsboogvelden bewaard kalkzandstenen beeldhouwwerk beïnvloed door Noord-Franse gotische kathedraalbouw. Voorstellingen uit het leven van Maria van links naar rechts: Maria-ten-Hemelopneming, daarboven Deësis- groep, de dood van Maria, daarboven kroning van Maria. Overig beeldhouwwerk door R. Rooms in 1912-1914 toegevoegd, in de oculus: onder meer Maria, Troosteres der Verdrukten, musicerende engelen in de zwikken, familieleden van Maria tegen de archivolten van de spitsboog, op de middenstijl beeld van Maria op console met twee engelen en wapenschild van Brugge.

Sint-Janshospitaal , het broederklooster

Voormalig broederklooster. Samenstel van verschillende gebouwen, aan oostzijde gelegen aan de Mariastraat, aan westzijde aan het binnenplein en tegenover de 19de-eeuwse ziekenzalen.

Bakstenen gebouwen van één en twee bouwlagen onder zadeldaken (leipannen). Gegroepeerd rond een kloostergang en kleine binnentuin liggen de zogenaamde apotheek, voogdenkamer, pastoorkamer en bureaus.

we gebruiken de toegang tot het broederklooster

via een smalle gang en een smalle doorgang komen we op een pleintje, omgeven door gebouwen

de gebouwen waren ooit apotheek, voogdenkamer en pastoorskamer van het klooster, nu museum

Palend aan de Mariastraat en teruggaand tot de tweede helft van de 13de eeuw. Op de begane grond bevond zich wellicht oorspronkelijk de refter en op de zolder tot het eerste kwart van de 17de eeuw het dormitorium; apotheek vanaf 1643 tot 1972 waarna het vertrek een museale bestemming krijgt. In de loop van de 15de eeuw wijzigen van de oostgevel (straatzijde); 1905-1906: restauraties van alle gevels onder meer op basis van teruggevonden sporen.
Oudste bouwfase herkenbaar in de Noordelijke zijgevel. Puntgevel, horizontaal geaccentueerd door waterlijsten ter hoogte van onder- en bovendorpels. Drie rechthoekige keldermonden in segmentboognissen met afgeschuinde dagkanten. Op begane grond twee kruiskozijnen en rechthoekige deur met gedeeld bovenlicht; glas in lood. Op de bovenverdieping, bolkozijn in Romaanse rondboognis met waterlijst en smal rondboogvenster. In de top spitsboogvenster met rolstaafzuiltjes met kapitelen, bakstenen waterlijst, daarboven kruisvormige verluchtingsspleet.
Voorgevel: bakstenen verankerde lijstgevel van twee bouwlagen en ongelijke travee-indeling doorbroken door twee schoorsteenschachten uitlopend op achtzijdige rookmonden. Rondboogdeur met boog van Doornikse steen, geaccentueerd door bakstenen waterlijsten, aan binnenzijde sporen van valhekken. Rechts, gevelsteen met opschrift "HIER IS DE / HOSPITALE / VAN SINT JANS". Voorts getraliede kruiskozijnen op begane grond. Op de bovenverdieping negen 16de-eeuwse spitsboogvensters met driepas en gevat in een rechthoekige nis, rechts een bolkozijn en klein rechthoekig venstertje.

er is een klein overzicht van geneeskrachtige planten, ooit in gebruik. Nu, tijdens de winter is er nog weinig te zien, hier toch groen van venkel

gebouw boven de uitgang van het complex

Hier tegenover bevindt zich de Onze-Lieve-Vrouwekerk

voor ons niet bepaald het mooiste gebouw dat in Brugge te vinden is, een gedeelte van de westgevel

Georiënteerde, gotische kerk gelegen aan de oostzijde van de Mariastraat. Ten noorden en ten zuiden voormalig kerkhof afgeschaft in 1784; aan zuidkant is de naam Onze- Lieve-Vrouwekerkhof Zuid behouden, aan noordkant wordt naamgeving Onze-Lieve-Vrouwekerkhof Noord in 1963 vervangen door Guido Gezelleplein, Aan oostzijde plantsoen grenzend aan de achtergevel van Gruuthuse. Voormalig kerkhof, aan noordkant afgeboord met lage arduinen muur, aan oostkant ingericht als parkje met leilinden en haagjes, bronzen beeld van de Spaanse humanist J.L. Vivès (1492-1540) van 1957 naar ontwerp van beeldhouwer R. Mateu (Spanje).

Circa 875: vermoedelijke stichting, aan de oever van de Reie, als hulpkerk van de parochie Sijsele. Het eerste bedehuis was wellicht een houten kapel. Tijdens opgravingen in het koor in 1979 zijn 9de-eeuwse grafkuilen blootgelegd.
1075: uit een bul van Gregorius VII met betrekking tot een betwisting over het patronaat van de kerk blijkt dat het Sint-Maartenskapittel van Utrecht de kerk reeds 200 jaar bezit.
1089: vermelding als autonome parochiekerk.
Derde kwart van de 11de eeuw-eerste kwart van de 12de eeuw: oprichting van een driebeukige Romaanse kerk.
1116: het Utrechtse kapittel verklaart de Onze-Lieve-Vrouwekerk onafhankelijk van de moederkerk in Sijsele. Kronieken vermelden een grote stadsbrand die ook de kerk teistert.
Tweede kwart van de 13de eeuw: start van een volledige herbouw waarbij de oude Romaanse kerk geleidelijk wordt vervangen, het driebeukige schip van vijf traveeën wordt opgetrokken in Scheldegotiek. Bij deze bouwcampagne hoort het pseudo-transept en de aanzet van de koorpartij.
1270-1280: hervatten van de werkzaamheden aan het koor. De verhoudingen van het schip worden nagevolgd in koor, kooromgang en straalkapellen; de vormgeving knoopt evenwel aan bij de "klassieke" Franse gotiek en is geïnspireerd op het koor van de Doornikse kathedraal. De bestaande kruisingspijlers worden geflankeerd door colonnetten die de bogen moeten schragen.
1270-tweede helft van de 14de eeuw: optrekken van de bakstenen torenromp die tot aan de uitbreiding van de zijbeuk aan drie kanten vrijstond.
Begin 15de eeuw: oprichten van de Heilige Kruiskapel aan de oostzijde van de toren.
1448: bouwen van de Sint-Margrietekapel ten noorden van de kooromgang.
Circa 1465: aanbrengen van het Paradijsportaal in Brabantse laatgotiek aan de noordkant van de toren.
Circa 1472: plaatsen van de bidtribune van Gruuthuse ten noorden van de kooromgang.
1482: plaatsen van het praalgraf van Maria van Bourgondië in het koor.
1563: plaatsen van het praalgraaf van Karel de Stoute in het koor.
1762: vervangen van het vroegere houten hanggewelf van koor en middenbeuk door de huidige kruisribgewelven. Uitbreken van de triforia van schip en koor, vervangen door eenvoudige nissen en bepleisteren.
1806: verplaatsen van de praalgraven van Maria van Bourgondië en Karel de Stoute van het koor naar de Lanchalskapel.
1813-1817: herinrichten van de Lanchalskapel naar ontwerp van architect J.F. Van Gierdegom: vervangen van het 15de-eeuwse kruisribgewelf door een houten, vergroten van de vensters en aanbrengen van aankleding uit het eerste kwart van de 19de eeuw.
1818: verlagen van de torenspits met circa vijftien meter.
1830: Vervangen van de binnendeuren door het ijzeren hek afkomstig van de Lanchalskapel.
1896-1900: restaureren van alle bovenlichten waarbij de onversierde vensters worden voorzien van neogotisch maaswerk. Stadsarchitect C. De Wulf (Brugge) baseert zich hiervoor gedeeltelijk op het bewaarde maaswerk van het dichtgemetselde venster van de Heilige Kruiskapel.
1910-1911: restauratie van de Lanchalskapel waarbij het oorspronkelijke 15de-eeuwse uitzicht van gewelven en vensters wordt hersteld naar ontwerp van architect J. Viérin (Brugge). Toevoegen van een nieuwe sacristie in neogotische stijl.
1979-1980: plaatsen van de praalgraven in het koor, daaruit volgt in 1981 de ontdekking van 13de-14de-eeuwse grafkelders en fragmenten van veldstenen fundering, laatst genoemde is waarschijnlijk deze van de oostelijke koormuur van het Romaanse of vroeggotische koor; overbrengen van enkele 14de-eeuwse grafkelders naar de Lanchalskapel.
1984-1986: restauratie van het Paradijsportaal en inrichting naar ontwerp van architect L. Vermeersch (Brugge) als kapel en bezinningsruimte.
1999-2002: restauratie van alle gevels naar ontwerp van architecten L. en S. Vermeersch (Brugge). Restauratie van de torenspits naar ontwerp van architect T. Toussaint
2002: bij vooronderzoek ten behoeve van restauratie van het interieur worden belangrijke fragmenten van architectuurimiterende muurschildering en ondersteunende binnenafwerking ontdekt: onder meer uit de 13de eeuw en de 15de eeuw in het schip, uit het eerste kwart van de 14de eeuw in het transept, laatmiddeleeuwse polychromie onder meer in enkele kapellen in het schip

de noordgevel met de massieve bakstenen toren

Aan de noordkant massieve bakstenen toren, tussen noordelijk transept en Heilige Kruiskapel met aan noordzijde tegen aan de voet het Paradijsportaal. Toren werd ten opzichte van eerste enkele meter meer naar het noorden gebouwd; tot stand gekomen in verschillende fasen: romp tussen 1270-1340, eerste spits circa 1440 heeft ronde hoektorentjes en geen kroontje, herbouwen van de spits circa 1519 nu met kroontje met daarboven hardstenen spits, afbreken in 1760 van de hoektorentjes en in 1853 van de spits tot aan het eerste gewelf, herbouwen in 1858 van de spits en in 1871 van de balustrade en achtzijdige hoektorentjes, in 2001 restauratie van 19de-eeuwse spits,- hoektorentjes en -balustrade.

In zijn huidige vorm, vierzijdige torenromp met versneden, op elkaar gestelde hoeksteunberen verrijkt met casementen. De voor de baksteengotiek typische toren vertoont drie geledingen telkens gemarkeerd door omlopende waterlijsten. De gesloten gevels van de benedenbouw zijn enkel gedifferentieerd door een grote blinde spitsboog; over de twee bovenste geledingen lopen spitsboognissen, daarin spaarzaam aangebracht rechthoekige en rondboogopeningen. Bakstenen achthoekige spits; bovenste deel, zandstenen kroontje en ribben op de hoeken; balustrade van arduinen tussen de hoektorens.

We komen in de oudste kern van Brugge, eerst de Heilige Geest-straat

We naderen de kathedraal, dichtbij is dus het Bisschoppelijk Paleis

de toegang is open, dus we kijken even binnen

monumentale, arduinen poort in geblokte rondboogomlijsting met gepolychromeerd boogveldreliëf van steen van Creil met wapenschild van bisschop van Susteren en opschrift "Ut prosim", bekroond door siervaas (1859).

groot, groter, grootst …

Gebouwenblok ten noorden begrensd door huizen bij hoek Sint-Salvatorskerkhof, ten oosten door Heilige-Geeststraat, ten zuiden door Goezeputstraat en ten westen door de huizenrij in de Kleine Heilige-Geeststraat. Deels ommuurd, renaissancegetint complex bestaande uit hoofdgebouw met 16de-eeuwse kern, met in het verlengde van de noordvleugel aan tuinzijde, een 18de-eeuwse vleugel, telkens onder zadeldak (leien en Vlaamse pannen).
1549: het bestaande zogenaamd "Hof van Pittem" met kern die vermoedelijk teruggaat tot de 18de eeuw, wordt herbouwd in renaissancestijl.
1641: A. Sanderus tekent het hof als ommuurd pand op L-vormige plattegrond met in de oksel rechthoekige huistoren en rechts aanpalend poortgebouw.
Na functies als gouverneursresidentie en ambtswoning van de hoogbaljuw, krijgt het pand in 1738 voor het eerst een religieuze bestemming als bisschoppelijk seminarie, na, aankoop door bisschop van Susteren. Mogelijk is toen de noordvleugel verplaatst en hoger opgetrokken zie tekening van A. Sanderus (1641) waar de hoofdvleugel slechts zeven in plaats van de twaalf huidige traveeën telt en krijgt de hoofdvleugel nog bestaande dakconstructie; tevens bouw van de ingangspoort en vervangen van de traptoren door een monumentale trap.
Derde kwart van de 18de eeuw: op initiatief van bisschop Caïmo (1754-1775) wordt de vleugel haaks op de hoofdvleugel gebouwd, waarschijnlijk naar ontwerp van B. Feys in samenwerking met meestertimmerman E. Van Speybrouck, meestermetselaar E. Goddyn en stucwerker J. van Sassenbrouck; mogelijk ook uniformeren van de tuingevels, zie licht getoogde openingen in bepleisterde omlijstingen, naar het patroon van het gelijktijdige Franse U-vormige hôteltype.

1797, 1802: afschaffing van het seminarie en opheffing van het bisdom Brugge. Het pand wordt achtereenvolgens gebruikt als gevangenis, kazerne, militair hospitaal en school.

1834-1835: heroprichting van het bisdom Brugge; het bisschoppelijk paleis, tot dan op de Burg gevestigd, wordt overgebracht naar de Heilige-Geeststraat. Verbouwingswerken in functie van de nieuwe bestemming onder meer het inrichten van een nieuwe kapel.
1859: afbraak van de vervallen ingangspoort en historiserende reconstructie. Circa 1880: restauratiewerken naar ontwerp van architect R. Buyck (Brugge) met betrekking tot voorgevel: vernieuwen van de dorpels, kruiskozijnen, lateien en frontons in witsteen van Saint-Joire.
1895: bouw van de bureauvleugel aan tuinzijde op initiatief van bisschop De Brabandere (1894-1895).
1957: afbraak en herbouw van bureauvleugel in de tuin naar ontwerp van van architect C. Vastesaeger (Brugge).
Circa 1965: aanleg van het voorplein als parking.
1990-1992: stallingen aan tuinzijde worden naar ontwerp van Groep Planning omgevormd tot archiefruimte met ingang aan de Goezeputstraat, aanleg tuin en uitbreiding met het pand in het Sint-Salvatorskerkhof nummer 12; restauratie van de bedaking, gevels op het binnenplein naar ontwerp van Groep Planning, voornamelijk vervangen van de natuurstenen elementen in Massangis.
1994: herstelling daken en voorgevels. Nieuw project, na sloop van de burelen van 1957, wordt eind 1999 gerealiseerd naar ontwerp van Groep Planning (Brugge); tijdens voorbereidende werken, ontdekken van sporen van voormalig terras aan tuinzijde.

Gekasseide, rechthoekige binnenplein
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29329)

enkele huizen verder komen we op het plein van de kathedraal

zuidelijke gevel van de kathedraal

Sint-Salvatorskathedraal: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29716)
Georiënteerde, gotische kerk gelegen aan de zuidzijde van de Steenstraat. Ten noorden, voormalig kerkhof afgeschaft in 1784; als tuin aangelegd in de eerste helft van de 19de eeuw, hernieuwd met ijzeren afsluiting in 1878-1879, sedert 1970 vervangen door stenen muur; ten oosten en ten westen omringd door het Sint-Salvatorskerkhof, en ten zuiden geflankeerd door de kapittelgebouwen en het museum.
Circa 850: vermoedelijke stichting van de kerk in een uithoek van de parochie Snellegem. Over de
bouwgeschiedenis van vroegere bedehuizen op deze plaats zijn slechts schaarse gegevens gekend.
988: eerste vermelding van de kerk in een bul van Paus Johannes XV. 1086: eerste vermelding als parochiekerk.
1127: de kerk wordt herwijd na een brand; de mogelijk volledig Romaanse kerk is zwaar getroffen en wordt herbouwd; van deze periode resten enkel de veld- en tufstenen funderingen van de toren (tweede helft van de 12de eeuw) over.
Circa 1275: aanvang van de bouw van het gotische koor
Eerste kwart van de 15de eeuw: bouw van het huidige gotische schip.
1834: bij heroprichting van het bisdom Brugge, overdracht van de titel van kathedraal , voorheen toegekend aan de in 1799 afgebroken Sint-Donaaskerk.
1839: een hevige brand vernielt de daken en torenbekroning. Heropbouw naar ontwerp van de Engelse architect W. Chantrell onder toezicht van architect P. Buyck (Brugge).
Praalgraven van onder meer J.B. de Castillon en van bisschop H. van Susteren beide door H. Pulinx de Jonge (1758 en 1747).
Brandglasramen van schip en transept uit ateliers van H. en J. Dobbelaere (circa 1870 en eerste kwart van de 20ste eeuw); van koor en kapellen o.m. van J. de Bethune (1867) en de gebroeders Coucke (1931).

de voorgevel, westelijk

en de noordelijke gevel

de bakstenen toren

1839: een hevige brand vernielt de daken en torenbekroning. Heropbouw naar ontwerp van de Engelse architect W. Chantrell onder toezicht van architect P. Buyck (Brugge). Lange polemiek over het uitzicht van de toren: restauratie van de bestaande of bouw van een nieuwe, hogere en meer aan de nieuwe functie als kathedraal aangepaste toren; uiteindelijk wordt het neoromaanse ontwerp verkozen van de Engelse architect R. Chantrell, van 1843 tot 1846 uitgevoerd onder leiding van architect P. Buyck (Brugge).
1865-1872: op vraag van de Koninklijke Commissie voor Monumenten bouw van torenspits en hoektorentjes naar ontwerp van architect E. Carpentier (Beloeil).
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29716)

De wandeling gaat voor ¾ rond de kathedraal. Via een stukje van de Steenstraat (winkelstraat) komen we op het Simon Stevinplein

Simon Stevinplein: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/4301)
benaming, sinds 1827 in gebruik, afgeleid van de in Brugge geboren wiskundige Simon Stevin (1548 - rond 1620) die er pas in 1846 een bronzen standbeeld krijgt. Plein zelf ontstaan in 1821 na sloop van de zogenaamde "Westvleeshuis", één van de twee 14de-eeuwse vleeshallen van de Brugse vleeshouwers. Heden zowel horeca als commerciële functie zie puien en terrassen, ook bewoning.
Grosso modo rechthoekig, gekasseid plein met centraal het standbeeld van Simon Stevin, sinds 1825 omzoomd door lindebomen; links waterput met inscriptie "Deze waterpomp bevond zich voor het middeleeuwse vleeshuis. Hersteld in 1980" en pomp. Ter hoogte van Loppemstraat, twee grenspalen.

met in het midden het standbeeld van Simon Stevin

Standbeeld Simon Stevin: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29624)
Centraal op het plein geplaatst bronzen standbeeld van de in Brugge geboren wiskundige Simon Stevin (1548 - rond 1620) uit 1846 naar ontwerp van beeldhouwer E. Simonis (Brussel); rechthoekige sokkel op drie trappen met opschrift "Simon Stevin / S.P.Q.B.".

Op het plein staan weer heel wat gebouwen welke als Erfgoed geklasseerd zijn

zoals dit burgerhuis

Diephuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder afgewolfd zadeldak. 19de-eeuwse lijstgevel met aanpassingen onder meer in 1864 begane grond, in 1890 toevoegen van het dakvenster en in 1913 de drieledige erker naar ontwerp van architect A. De Pauw (Brugge). Neoclassicistische bepleisterde en witbeschilderde lijstgevel bekroond door imposante dakkapel met imitatieblokken, volutes en driehoekig fronton. Begane grond met imitatieblokken. Gevelbrede houten erker met afgeronde hoeken onder aflopend leiendak; meest uitspringende middendeel opgevangen en door twee smalle, gegroefde consoles en bekroond met een ijzeren leuning. Rechthoekige bovenvensters tussen fijne pilasters en klein hoofdgestel. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29634)

twee smalle, maar diepe gebouwen

Het rechter gebouw is een burgerhuis met trapgevel en winkelpui

Diephuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen), met trapgevel uit de 18de eeuw. Latere wijzigingen onder meer in 1858 invoegen van een winkelpui met neobarok en -rococo inslag (heden verdwenen). "Kunstige Herstelling" van 1980 naar ontwerp van architect H. Davans (Brugge) waarbij gevel is versoberd onder meer door verwijdering van de vroegere beschildering van negblokken en van de geblokte ontlastingsgbogen en doorlopende lekdrempls. Verankerde bakstenen trapgevel (6 treden + topstuk). 19de-eeuwse vensters onder strek. Topstuk visueel gescheiden door speklaag van gele baksteen.

het linker gebouw is een stadswoning met neobarokke trapgevel en achterhuis

Gelegen aan de hoek met Sint-Salvatorskoorstraat. Diephuis van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (daktegels), uit de 17de eeuw. In 1911, verfraaiende "Kunstige Herstelling" naar ontwerp van architect A. De Pauw (Brugge). Verankerde neobaroktrapgevel (7 treden + topstuk) van baksteen op arduinen plint; gebruik van zandsteen voor de hoekblokken. Kruiskozijnen en bolkozijnen als bovenlichten van de deur en benedenvensters; geblokte ontlastingsbogen; afgeschuinde dagkanten. Geblokt rondboogvenster in topstuk. Boven ingang vergulde wapenschilden. Hijsbalkgat. Zijgevel, lijstgevel van drie traveeën en twee bouwlagen; dakvenster opgevat als kleine tuitgevel met schouderstukken, vlechtingen en hijshaak; uitspringend winkelraam toegevoegd in 1911. Achterhuis: lijstgevel van vier traveeën en drie bouwlagen onder zadeldak.

Het vervolg van de wandeling gaat over de Oude Burg

Oudburg: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/4290)
Naam slaat in de 13de eeuw op wijk gelegen ten zuidwesten van de Markt, onmiddellijk aansluitend bij de grafelijke burcht, met de Kraanrei als enige scheiding tussen beide.
Vanaf de volle Middeleeuwen begon men het terrein op te hogen, om vanaf de 13de eeuw te verkavelen en er huizen op te bouwen. Wijk oorspronkelijk getypeerd door de talrijke kleine straatjes getekend bij Marcus Gerards (1562) en zoals heden nog ten dele afleesbaar. Aan de noordzijde bestaan nog bijna alle straten in tegenstelling tot de Z.-zijde van de Oude Burg. De straatnaam "Merseniers strate" of de "Meersemans strate" is een aanduiding van de aanwezigheid van een groep mensen die een zelfde beroep uitoefenen. Het "Stoofstraatje" en het "Winterstraatje", gescheiden door twee bouwpercelen, worden in 1597 afgesloten. Het "Raamstraatje" wordt in 1537-1538 afgesloten en was vanaf dan een privé-weg die nu nog hoort bij het pand Oude Burg nummer 21. Lange en smalle percelen reikend tot aan de Dijver met afhankelijkheden zoals tuinpaviljoenen en prieeltjes. Voornamelijk residentiële woonwijk met locatie van diverse grote panden zie "Hof Lanchals" nummer 21 en het "Hof van Watervliet" nummer 27.

met hier burgerhuis gedateerd 1571

Diephuis van vier/drie traveeën en drie bouwlagen onder zadeldak, gedateerd in gevelstenen met opschrift "1571" en "XVCLXXI". 1913: consoliderende restauratie naar ontwerp van architect L. Van Eeghem (Brugge) onder meer versmallen van de ingang, toevoegen van basementen, tussenstijlen en glas-in-loodramen. 1980-1982: consoliderende "Kunstige Herstelling" naar ontwerp van architect E. Vanassche (Brugge). Verankerde bakstenen halsgevel met renaissance-inslag; gebruik van arduin voor de bolkozijnen (1913), medaillons met basreliëfvoorstellingen van Ceres en Mercurius, cartouches en sluitstenen op bovenverdieping, en natuursteen voor de hoekblokken. Geprofileerde vensteromlijstingen van baksteen met bekroning van driehoekige en gebogen frontons.

en het Hof van Watervliet

Hof Van Watervliet: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29577)
"Hof van Watervliet". Oorspronkelijk "Hof van Sint-Joris" zogenaamd naar opdrachtgever Jan de Baenst, heer van Sint-Joris. Vanaf 1566 huidige benaming naar de humanist Marc Laurin, heer van Watervliet. Laatgotisch pand op L-vormige plattegrond met nieuwbouwvleugel van 1983 naar ontwerp van Groep Planning gesitueerd rondom een rechthoekige, gekasseide binnenplaats. Huidig uitzicht resultaat van verschillende wijzigingen. Thans ontmoetingscentrum van Christelijke Mutualiteit.
1454: wellicht voltooiing van het diephuis en poortgebouw.
1982-1983 en 1986-1987: restauratie van poort-, tuin- en diephuis naar ontwerp van Groep Planning (Brugge) beoogt een maximaal behoud van de gegroeide situatie. Sloop van de vroegere keuken en vervangen door een nieuwe vleugel met trappenhuis, liften en technische voorzieningen beantwoordend aan de veiligheidsvoorschriften voor de nieuwe bestemming en uit respect voor de 15de-eeuwse vleugels.

aan de deurbel een koperen plaat

samengestelde panden

Samenstel van de panden "De Valcke", het ingangsgebouw van het voormalige kartuizerinnenklooster, "'t Wijngaerdken" en "St.-Niclaes" volgens opschriften in cartouches. Eind 19de eeuw "hier is 't in de Gilde der Ambachten/ eerlijk en werkzaam". Thans gebouwen van de Christelijke Mutualiteit. Gevelrij resultaat van historiserende "Kunstige Herstelling" van 1894 naar ontwerp van architect C. De Wulf (Brugge). Consoliderende "Kunstige herstelling" in 1980 naar ontwerp van Groep Planning (Brugge) tijdens dewelke de neogotische zaal verdween.
Samenstel van diephuizen van respectievelijk drie, één, vier, vier en drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen). Baksteenbouw met typerend gebruik van zandsteen voor onder meer hoekblokken, kozijnconstructie, plint en belijnende banden. Uitgewerkte muurankers en smeedijzeren windvaan
. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29572)

bakstenen gebouwen De Gouden Haspe en De Kleine Haspe

beelden in de nissen

Samenstel van de panden eertijds zogenaamd "De Gouden Haspe" en "De Kleine Haspe". Thans burelen Algemeen Christelijk Vakverbond. Diephuizen van vier traveeën en twee bouwlagen onder gelijklopende zadeldaken (Vlaamse pannen), opklimmend tot de 16de eeuw met in de loop van de 19de eeuw aangepaste muuropeningen; (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29571)

De kantoren zullen verdwijnen en er komen hier woningen in de gebouwen

op de hoek van de Sint-Niklaasstraat zien we een beeld op  de gevel

Woning De Tassche

Zogenaamd "De Tassche", zie cartouche met afbeelding tas. Barok getint diephuis met een achterliggend breed- en diephuis. Cartouches in de boogvelden van de voorgevel met opschrift met opschrift: "ANNO / 1718" refererend aan de verstening van de houten gevel. Bewaarde oude 15de-16de-eeuwse kern, zie interieur. Oorspronkelijk enkelhuis omgevormd tot dubbelhuis in 1902.

bij de toegang tot de Kartuiserinnenstraat stappen we onder een triomfboog met opschrift Pro Patria (voor het vaderland)

Deze sobere, neoclassicistische triomfboog is opgetrokken in 1929-1930 als eerbetoon voor de slachtoffers van de Grote Oorlog. Het ontwerp - ook van het beeldhouwwerk - is van de hand van de Brugse kunstenaar J. Fonteyne.
Deze praalboog is gelegen op de grens van de Kartuizerinnenstraat en de Oude Burg en paalt aan de voormalige kloosterkerk van de kartuizerinnen, die sinds 1927 is omgevormd tot militaire kapel.

De praalboog van Euvillesteen werd geplaatst in 1929-1930 op initiatief van het Brugse college van burgemeester en schepenen. In 1927 was namelijk de aanpalende kapel tot officieel gedenkteken van de stad Brugge omgevormd en werd beslist dat een praalboog een gepaste toegang tot de Kartuizerinnenstraat zou zijn. Het ontwerp komt van de Brugse beeldhouwer Jules Fonteyne (1878-1964), de toenmalige directeur van de Brugse Stedelijke Academie. Hij vervaardigde ook de modellen en voerde al het beeldhouwwerk uit. De triomfboog werd geplaatst door aannemer Lanssens en C° uit Brugge. Op 23 september 1929 was de praalboog klaar op het beeldhouwwerk van Fonteyne na.
Het is een sobere, neoclassicistische praalboog met rondbogige doorgang, waarvan het hoofdgestel steunt op vier zuilen op sokkel en bekroond door een Korinthisch kapiteel. De geprofileerde rondboog met sluitsteen staat op eenvoudige rechthoekige pilasters. Op de zwikken zijn de wapenschilden aangebracht van Brugge en Vlaanderen. Het hoofdgestel bestaat uit een architraaf met opschrift "Pro Patria" onder een sterk vooruitspringende, geprofileerde kroonlijst. Twee urnen op de hoeken en in het midden een gebeeldhouwd Belgisch wapenschild met kroon, vastgehouden door twee klimmende leeuwen, bekronen het geheel. Onder het wapenschild, "Eendracht maakt macht".
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200771)

De volledige straat herinnert aan de slachtoffers van WO I

deur tot de crypte

op de muren van het klooster zijn vele stenen panelen aangebracht waarop de namen van zeer veel gesneuvelden zijn aangeduid

toegang tot het klooster

Via de Wollestraat komen we op de Markt

Markt: (https://nl.wikipedia.org/wiki/Markt_(Brugge)
De Markt, soms ook "Grote Markt" genoemd, is een marktplein in Brugge. De Markt bevindt zich in het hart van de historische binnenstad en heeft een oppervlakte van ongeveer 1 ha. Aan de zuidkant van het plein staat een van de bekendste monumenten van de stad, het 12de-eeuwse belfort (Halletoren).
Het plein werd in 1995-'96 heraangelegd en sindsdien mogen er geen auto's meer parkeren, behalve taxi's en toerbusjes. Iedere woensdagvoormiddag wordt er markt gehouden en het plein wordt ook regelmatig gebruikt voor evenementen. In de kerstperiode staat er een kerstmarkt met ijspiste. In de gebouwen rond het plein bevinden zich cafés, restaurants en winkels.

De Brugse markt trok al van in de 10e eeuw veel volk en rond 1200 werd de eerste internationale jaarmarkt gehouden.
De eerste halle ontstond rond 1220 als verkoopplaats van goederen van kooplui. Het waren kleine houten gebouwen aan de zuidkant van de markt. Rond 1240 kwam er een groter gebouw met een houten toren. In 1280 werd dit vernield door een brand en vanaf 1291-1296 terug opgebouwd in steen.
Er werd ook beslist om vlakbij, aan de oostkant van de markt, een Waterhalle te bouwen over de Reie. De Waterhalle was een overdekte los- en opslagplaats voor de boten vanuit Damme. Vóór de Waterhalle er stond, werden de goederen aan de Reiekaai op de markt in open lucht geladen en gelost.
Van vishandel op de markt is al sprake sinds 1396. Het ambachtshuis van de visverkopers stond aan de noordkant van het plein, vlak bij de Sint-Christoffelkerk. In 1709 werd er een soort ijzeren vismijn gebouwd, die in 1745 samen met de vismarkt naar de Braamberg verhuisde, waar de vismarkt nu nog steeds is. De korenmarkt werd in dezelfde periode verplaatst van de Braamberg naar de markt.

Er werden op de markt grote evenementen, steekspelen en toernooien gehouden, maar ook terechtstellingen gedaan, die een groot publiek trokken.

links een zijgevel van het Belfort-Hal

Belfort-Hal: Oorspronkelijk commercieel en bestuurlijk complex aan de zuidelijke Marktzijde, ingesloten door de Wollestraat ten oosten, de Oude Burg ten zuiden en de Hallestraat ten westen. Het weerspiegelt het toenmalige belang van Brugge en zijn lakennijverheid, en getuigt tevens van het monumentale en grootschalige karakter van de openbare burgerlijke architectuur in de Middeleeuwen en het omgaan met een dergelijk monument door de eeuwen heen.

Functies. Het belfort of de zogenaamde Halletoren, herbergt oorspronkelijk de schatkamer of de zogenaamde Thesaurie, het arsenaal en de klokkenkamer. Hier vergaderen ook de stadsschepenen; na de brand van 1280 verhuizen die echter naar het Ghiselhuus op de Burg. De hal fungeert als overdekte marktplaats en stapelruimte. Thans heeft de hal een feest-, tentoonstellings- en secundair ook een handelsfunctie. Het belfort staat als historisch symbool van de stad en is een internationale, cultuurtoeristische trekpleister.

Juiste datum voor de aanleg van het complex blijkbaar niet voorhanden. Vermoedelijk gaan opdracht, basisontwerp en grondplan terug tot de 13de eeuw, gezien de historische en economische context.
1964-1975: fasegewijze restauratie, twee betreffende het belfort (1964-1970) en de twee andere betreffende de hal (1969-1972). Maximum behoud van oude bouwmaterialen en bijzondere aandacht voor kwaliteit, kleur, zetting en profielen van de te vervangen natuursteen en baksteen. Echter ook noodzakelijke vernieuwing van sommige structurele elementen naar oorspronkelijk model onder meer de luchtbogen van de achtzijdige belfortgeleding, hoektorentjes, vensteromlijstingen en -indelingen. Ook vervangen van houten dakgebint in het belfort door betonnen constructie. Voorts wijst een stabiliteitsstudie van het belfort op een gemiddelde, maar ongevaarlijke, toreninclinatie van 87 centimeter in zuidoostelijke richting; bij de bouw van de eerste geleding helde de toren reeds over waardoor latere verhogingen een corrigerende aanpak vereisten.

1979-1980, 1984: herstellen van respectievelijk beiaard en uurwerkmechanisme. 1981-1982: restauratie van de dakstoel van de halvleugels door architect L. Vermeersch (Brugge). 1983-1984: aan binnenplaats, uiteindelijke bouw van een tweede trap naar de noordgalerij - omwille van brandweervoorschriften - na tal van polemieken omtrent de vormgeving

zicht op het belfort vanuit de Wollestraat

eerst echter nog even naar rechts onder een toegang, en uitzicht op een zij-uiteinde van de Dijver, een water in het centrum

We komen op de Markt

noordwestelijke hoek van de Markt

verschillende van deze gebouwen hebben een erfgoedwaarde

uiterst links ‘Huis Craenenburg’ , daarnaast ‘Huis Die Maene’, dan het gebouw met de 2 trapgevels, Cinema Pathé, het lichtgekleurde gebouw is een stadswoning, en het kleinere gebouw is het Muntatelier

Huis Craenenburg: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29465)

Huis Die Maene: Huis zogenaamd "Die Maene",
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29466)

Cinema Pathé: Voormalige "Cinema Pathé". (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29467)

stadswoning: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29468)

Muntatelier: Voormalig muntatelier.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29469)

De zijde van de Markt tegenover het Belfort-Hal is een verzameling restaurants, nu allemaal gesloten wegens corona

startend van rechts naar links, winkel, ambachtshuis van de visverkopers, café de drie monniken, huis la civière d’or, stadswoning In de Lelie, stadswoning, gildehuis het Mandetje

winkel: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29479)

Het tweede huis van rechts , zonder zichtbaar dak, is het Ambachtshuis van de visverkopers: Voormalig ambachtshuis van de visverkopers, zie nissen met beschermheiligen Heilige Petrus en Heilige Andreas, (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29478)

Café de Drie Monniken: "De drie Monniken"
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29477)

Huis La Civière d'Or: "La Civière d'or", zie opschrift en gevelbekroning.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29476)

Stadswoning In de Lelie: Huis zogenaamd "In de Lelie",
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29475)

stadswoning: Diephuis van drie traveeën en drie bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen). Oorspronkelijke gevel vermoedelijk van 1678, circa 1900 grotendeels herbouwd naar bestaande toestand. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29474)

Gildehuis Het Mandetje: Rechts van het nummer 28 gelegen, zogenaamd "Het Mandetje" of "Le Panier d'Or" zie vergulde mand uit 1887 boven op het topstuk; voormalig ambachtshuis van de tegeldekkers. Ontwerp van 1662 in licht gewijzigde vorm vervangt een houten gevel. Oorspronkelijk . (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29473)

Neogotisch administratiegebouw, helemaal in de stellingen

Ministerie van Openbare Werken, Bestuur Bruggen en Wegen. Restaurant van het Ministerie van Financiën.
Neogotisch hoekpand naar ontwerp van architect Jules Coomans (Ieper) van 1908 en opgetrokken in 1910-1914. Bijhorende conciërgerie naar ontwerp van architect Edward Schelstraete (Brugge) van 1925 met integratie van arduinen klokgevel van 1732 afkomstig van de Markt
Eerste ontwerp van architect Louis Delacenserie (Brugge) van 1907 in neorenaissancestijl, van de neogotische oostelijke Marktzijde, wordt afgekeurd. Vervolgens twee ontwerpen van architect Jules Coomans (Ieper), één in neorenaissancestijl met zware hoektoren en één eclectisch neogotisch project dat wordt weerhouden. In tegenstelling tot het Provinciaal Hof en de Post, is dit pand echter minder neo-Brugs getint, zij het ook al ten dele door het materiaalgebruik, een parement van arduin voor de voor- en zijgevel en baksteen met verwerking van arduin voor de achtergevels; leien zadeldaken verfraaid met getrapte dakkapellen en vorstkam.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29454)

en dan nog het voormalige postgebouw

Bouwgeschiedenis nauw verbonden met die van het links aanpalend Provinciaal Hof waarmee het een neo-Brugs eenheidsontwerp vormt van de architecten L. Delacenserie (Brugge) en R. Buyck (Brugge) van 1885; in tegenstelling tot het Provinciaal Hof reeds in 1891 voltooid en meteen in gebruik genomen. Nog in gebruik als post met uitzondering van de bovenverdieping heden herbestemd als Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.


We vervolgen de wandeling via de Beidelstraat,

Van Markt naar Burg. Vanaf de 12de eeuw zogenaamd "Hofbrugge" naar de brug over de vroegere verbinding Reie-Kraanrei; circa 1793 verdwijnen beide naar aanleiding van infrastructuurwerken. In hetzelfde kader, sloop van de middeleeuwse waterhal ter hoogte van de oostelijke Markthoek. Huidige straatnaam sinds de 15de eeuw, verwijst naar de "breiel" of leuning van de "Hofbrugge". Marcus Gerards (1562) tekent de westelijke toegangspoort tot de Burg ter hoogte van het "Steen", de oorspronkelijke grafelijke residentie, aan de westelijke Burghoek. In 1881 worden plannen voor het rechttrekken van noordoostelijke rooilijn vastgelegd - beter uitzicht op de Burg! - en ingezet doch verder niet uitgevoerd. 1893-1903: aan noordwestelijke straatzijde, sloop van zes woningen met lijst- of puntgevel in functie van de uitbreiding van de voormalige Proosdij bij de westelijke Burghoek, gevolgd door de bouw van een laag samenstel met vier winkeltjes zie nummers 5-11.

Licht krommende, gekasseide straat, verkeersvrij sedert 1978; tussen nummers 12, 14: voormalige brandgang, nu zogenaamd De Garre, ombuigend naar de hier gedempte Reie; gevel van nummer 6 met grenssteen van de kerkelijke heerlijkheid het Kanunnikse. Straatbeeld bepaald door handels- en neringhuizen afgestemd op het toerisme; ook grote hoekpanden zoals het neogotische Postgebouw (Markt nummer 5) en de barokke Proosdij (Burg nummers 1-2).

Bebouwing opklimmend tot de late Middeleeuwen zie onder meer kelder van nummer 8 met graatgewelven doch blijkbaar voornamelijk 17de eeuw zie sporadisch bewaarde interieurelementen als moerbalken, balksloffen en gebinten. Voornamelijk diephuizen van twee à vier traveeën en drie bouwlagen onder zadeldak al dan niet afgewolfd. Weinig authentieke 17de-eeuwse opstanden onder meer ten gevolge van 19de-eeuwse aanpassingen met betrekking tot muuropeningen, verbouwde begane gronden zie winkelfunctie, en "Kunstige Herstellingen" van 19de-eeuwse gevels al of niet opnieuw naar 17de- of 18de-eeuwse patronen. Enerzijds, verankerde bakstenen trapgevels, al of niet bepleisterd of beschilderd.

richting Burg

hoekhuis Burg-Breidelstraat heeft ook een beeld op de hoek

De Burg is een plein en voormalige vesting in Brugge. Oorspronkelijk was hij omwald en voorzien van toegangspoorten. Hij behoort tot de oudste kern van de stad. De versterkte burcht was gelegen op het knooppunt van de mogelijk Romeinse weg Oudenburg-Aardenburg (de "Zandstraat") en de Reie. De burcht had een oppervlakte van circa 1 ha. Arnulf I (889-965) bouwde de Brugse burcht uit tot een machtscentrum met keizerlijke allures, een gebied van 1,5 ha. Van de 11de tot het einde van de 13de eeuw bevond zich aan de westzijde van het plein een van de residenties van de graven van Vlaanderen, Het Steen. Binnen de versterking werd in het noorden de burchtkerk opgetrokken, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Donaas. Later werd het bijhorend kapittel van kanunniken gesticht. Hieraan ontleende de burcht zijn tweeledige functie: de zuidelijke helft had een burgerlijke functie en de noordelijke helft een kerkelijke. Toen Brugge in 1559 een bisdom werd, werd de Sint-Donaaskerk een kathedraal.
Het huidige plein wordt omringd door verschillende historische gebouwen, zoals het vroegere Landhuis van het Brugse Vrije, de voormalige Civiele Griffie, het stadhuis, de Heilig Bloedbasiliek en Sint-Basiliuskapel en de voormalige Sint-Donaasproosdij. In de kelders van het Crowne Plaza Hotel is een deel van de fundamenten van de in 1799 afgebroken Sint-Donaaskathedraal te bezichtigen.
Sinds de sloop van de kathedraal is het plein zowat verdubbeld in oppervlakte tot circa 1,1 hectare, en daarmee groter dan de Grote Markt. Het blijft echter opgesplitst in twee herkenbare op elkaar aansluitende delen.
(https://nl.wikipedia.org/wiki/Burg_(Brugge))

de Burg: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/4231)
Huidige benaming van het plein afgeleid van de Latijnse benaming "burgus", burcht, zie ommuurd uitzicht van het plein circa de 10de eeuw. Huidig uitzicht als resultaat van een opeenvolgend bouwen, verbouwen en andere ingrepen enerzijds vervlochten met de lokale geschiedenis waarin de Burg een hoofdrol speelt en anderzijds met de evoluerende stijlarchitectuur.
Ontstaan aan het knooppunt van de weg van Oudenburg naar Aardenburg, en de verbindingsrei tussen de Groene- en de Kraanrei. Aanvankelijk smalle zandrug ten noorden begrensd door een moerassig gebied (ter hoogte van de voormalige Sint-Donaaskerk). Oudste bewoningssporen uit het vierde kwart van de 9de eeuw tot de 10de eeuw, volgens archeologisch onderzoek van 1978, en geleidelijke vorming van de prestedelijke kern.
Circa 950, tijdens de regering van Arnulf I (+ 965), uitvoeren van nivelleringswerken ten noorden van de zandrug in functie van de bouw van de Karolingische Sint-Donaaskerk en het iets latere kapittelklooster.
Circa 1050: bouw van het zogenaamde "Steen", de oorspronkelijke grafelijke residentie, in het westen van de huidige Burg.
Derde tot vierde kwart van de 11de eeuw: vermoedelijk ontstaan van een tweede grafelijke verblijfplaats zogenaamd de "Love" aan de oostzijde van het Burgplein.
1127: moord op graaf Karel de Goede in de Sint-Donaaskerk geeft aanleiding tot het opwerpen van de eerste stadsomwalling.
1376-1421: oprichting van het Stadhuis. 1434-1440: verhuizing van het bestuur van de kasselrij van het Brugse Vrije van een gebouw in de nabijheid van het "Steen", naar een aanbouw ten zuiden van de "Love".
1529-1533: bouw van een laatgotisch trappenhuis als toegang naar de bovenkapel van de Heilige Bloedkapel en van de Criminele Griffie.
1792: verwoesting van de gevelbeelden van het Stadhuis en de Burgelijke Griffie naar aanleiding van de onlusten door de Franse Revolutie.
1799-1800: afbraak en openbare verkoop van de Sint-Donaaskerk. Circa 1807: de Stad verwerft opnieuw de gronden van de Sint-Donaaskerk en begint met de aanleg van een straat onder meer door verbreding van zogenaamd "'t Gat van Sint-Donaas", de huidige Burgstraat, zie 19de-eeuwse panden; op het plein zelf is de straat visueel doorgetrokken door twee bomenrijen platanen, kastanjebomen en linden. Tevens bouw van de prefectuur, later ambtswoning van de Gouverneur.
1832-1837: heropbouw van het trappenhuis van de Heilige-Bloedkapel en de Criminele Griffie.
1978: verkeersvrij maken van het plein. 1984: het gerechtshof verhuist naar stadsrand. 1987-1988: afbraak van de neo-Brugse en laatclassicistische hoekpanden Hoogstraat/ Burg voor het bouwen van het zogenaamd Burghotel (1991) leidt tot de ontdekking van resten van het Romaanse koor van de Sint-Donaaskerk, de oostelijke muur van het kapittelklooster, meer bepaald van het dormitorium, en de burchtmuur, zichtbaar op de kelderverdieping van het hotel.
1990: naar aanleiding van heraanleg van het plein, onder meer plaatsen van het beeld "De Verliefden" van S. Depuydt en S. Canestraro (Snellegem) ter vervanging van het beeld van Jan van Eyck; tevens voorzien van parkeerplaatsen, banken en stoeppalen met kettingen.
Vandaag fungeren de gebouwen op de Burg, sinds het vertrek van het gerechtshof in 1984, voornamelijk als administratieve diensten van de stad en de provincie; voorts in mindere mate ook woon- en horecafunctie.

De Burg in 1562, met vooraan de voormalige Sint-Donaaskathedraal (https://nl.wikipedia.org/wiki/Burg_(Brugge))

Landhuis van het Brugse Vrije

een ingangstravee aan de Burg.
1989-1991: Voormalig Landhuis van het Brugse Vrije.
Van 1794 tot 1984, gerechtshof; sindsdien locatie van de administratieve stadsdiensten, Toeristische Dienst en sinds 1988 van het Stadsarchief. Sinds 1985 is de zogenaamde "Schepenkamer" opengesteld als Provinciaal Museum "Het Brugse Vrije".
De eerste vergaderplaats van het kasselrijbestuur lag in de nabijheid van het Steen, de oorspronkelijke grafelijke residentie, aan de westzijde van de Burg. Mogelijk eind 11de eeuw bouwt de graaf een tweede verblijfplaats aan de oostzijde van het plein, zogenaamd de "Love" naar de overdekte galerij - lobium - tegen de voorgevel. Rol van de "Love" wordt vermoedelijk reeds in de 14de eeuw overgenomen door het circa 1390 opgetrokken Prinsenhof. Vanaf dan wordt een deel van de "Love" benut door het kasselrijbestuur.
1434-1440 : kasselrij trekt in de nieuwe gebouwen ten zuiden van de "Love". 1508: aankoop van de gronden tussen de 15de-eeuwse vleugel en de Reie leidt tot verdere uitbreidingen.
1520-1530: oprichting van de "Schepen-", de "Vertrekkamer" en de "Vierschaar" opgetrokken naar ontwerp van architect J. vanden Poele. In de loop van de 17de eeuw volgen respectievelijk de kapel, de "Wezenkamer" en in het oosten, de Griffierswoning.
1555: inpalmen van de voormalige "Love". 1641: A. Sanderus tekent de Burgzijde van het "Landhuis van het Brugse Vrije" als een gotisch complex, waarvan het rechter gedeelte gemarkeerd door een fraaie, zesledige bogengalerij van 1528-1532.
1726: sloop van het door A. Sanderus getekende gebouwencomplex en bouw van huidige classicistische vleugel, deels met behoud van de Griffierswoning van 1655 en de "Oude Schepenkamer" van 1434. Laatst genoemde ligt in de oksel van de 16de, 17de, 18de-eeuwse vleugels en de Burgerlijke Griffie (1534-1537), en krijgt in de loop van het tweede kwart van de 18de eeuw
consoliderende restauratie van alle gevels en bedaking naar ontwerp van architect V. Desmet (Brugge).
Huidig bouwblok in het noorden begrensd door Hoogstraat, in het oosten door doodlopend straatje naar Hoogstraat nummer 4, in het zuidoosten door het binnenplein, in het zuiden door de Reie en in het westen door Burg.

Griffie van het Brugse Vrije

Voormalige Burgerlijke Griffie. Vanaf 1434 tot 1534: ondergebracht in de hier gelegen annex van het "Landhuis van het Brugse Vrije".
1537: voltooiing van de nieuwe bouw, ter vervanging van het gesloopte bouwvallige pand; uitbreidingen mogelijk beëindigd in 1608.
Huidig gebouwencomplex, in het noorden begrensd door Burg, in het oosten door voormalig "Landhuis van het Brugse Vrije", in het zuiden door de Reie en in het westen door Blinde Ezelstraat. Locatie van een deel van de administratieve stadsdiensten.
Hoofdgebouw én oudste gedeelte aan de Burg met erin opgenomen doorgang van de Blinde Ezelstraat. Vroeg voorbeeld van de renaissance-architectuur in Vlaanderen, gekenmerkt door het inpassen van een renaissanceschema op een traditionele, gotische wandstructuur. Ontwerp van de steenhouwer J. Wallot, uitgevoerd door meester-metselaar C. Sixdeniers; bekronende beelden, door meester-steenhouwer W. Aerts naar patronen van schilder S. Pieters; polychromie van de natuurstenen gevel én de beelden door J. Zutterman.
1792: Franse Revolutie vernielt of beschadigt beelden en ornamenten. Foto van 1875 toont de Burgerlijke Griffie als een verwaarloosd gebouw zonder beelden.
1875: het historiserende restauratieontwerp door stadsarchitect L. Delacenserie (Brugge) is toegespitst op de voorgevel met het hernemen en/of toevoegen van beeldhouwwerk, decoratie en polychromie.
Juli 1877: parement van Lediaanse kalkzandsteen blijkt zwaarder aangetast dan gedacht. K.C.M. pleit voor een zo groot mogelijk behoud van het oorspronkelijke bouwmateriaal; als restauratiesteen krijgt steen van Rochefort de voorkeur.
1883: plaatsen van vergulde topbeelden - nu van brons in plaats van steen – naar ontwerp van beeldhouwer H. Pickery.
1980-1981: gevelreiniging leidt tot materieel-technisch-wetenschappelijk onderzoek en een reconstruerende en conserverende proefrestauratie in 1993-1996. De uiteindelijke restauratie voorziet een vernieuwde polychromie met aandacht voor de 16de- én de 19de-eeuwse kleurstelling.


Evenwichtig geordonneerde voorgevel. Typerende verticale opbouw: gesuperposeerde halfzuilen met gegroefde schachten op versierde voetstukken, oplopend in drie in- en uitgezwenkte toppen afgezet met hogels. Anderzijds, horizontaliserende hoge plint waarin leeuwenkoppen met koperen ringen; boven de beneden- en bovenvensters, gekorniste friezen met arabesken - onder meer jaarcartouche 1537 - aangebracht tussen de postamenten; laatst genoemde zijn in de puilijst verrijkt met portretbustes naar het genealogisch programma van de renaissanceschouw van het Brugse Vrije.

het Stadhuis van Brugge

Vanaf circa 1280 vergaderen de schepenen in het hier gelegen zogenaamde "Ghyselhuus", waarin ook de grafelijke gevangenis is ondergebracht. In het vierde kwart van de 14de eeuw gebeurt de afbraak van het vervallen gebouw.

Huidig gebouwencomplex, ten noorden begrensd door Burg, ten oosten door Blinde Ezelstraat, ten zuiden door de Reie en ten westen door de Heilig-Bloed- en Sint-Basiliuskapel, is fasegewijs tot stand gekomen. Hoofdgebouw én oudste gedeelte aan de Burg; links en rechts, overbouwde doorgangen van Blinde Ezelstraat en doodlopende steeg. Laatst genoemde loopt tot eind 16de eeuw omheen het toenmalige stadhuis en is bebouwd met de kapelanieën van de Sint-Basiliuskapel. Dit zogenaamde "Beenhouwersstraatje" wordt grosso modo opgenomen door de opeenvolgende uitbreidingen in zuidelijke richting naar de Reie toe.
1. Oudste vleugel. Dooreengenomen beschouwd als het eerste monumentale, middeleeuwse stadhuis van onze gewesten; eerste toepassing van Brugse travee en onder invloed van de Brabantse gotiek, typerende beeldnissen ter hoogte van de penanten. Als mogelijke ontwerpers worden voorgedragen: J. van Rijsel, de sloper van het "Ghyselhuus", M. Saghen, besteller van de nieuwe steen, of J. Roegiers, eerste werfleider.
1376: eerste steen door graaf Lodewijk van Male. 1421: voltooiing vertraagd ten gevolge van stilleggen werken tussen 1380-1385 naar aanleiding van onlusten met Gentenaars. J. van Valenciennes staat in voor beeldhouwwerk, onder meer de gevelbeelden - gepolychromeerd onder andere door J. van Eyck - die in de loop van de 15de, 16de, 17de en 18de eeuw aangevuld worden en waarvan de iconografie figuren uit het Oude en Nieuwe Testament, naast de respectievelijk heersers van Vlaanderen, als graven, gravinnen, aartshertogen en keizers, omvat.
1711: borstwering van noordgevel verrijkt met wapenschilden van voormalige subalterne gemeenten van Brugge.
1766: linker portaal van eerste naar tweede travee, overkluizing van gelijkvloerse verdieping met stenen gewelven op Dorische zuilen en op de bovenverdieping, wegnemen van houten zuilen en ophangen van het houten gewelf aan het dakgebint door middel van trekkers.
1792: Franse Revolutie vernielt gevelbeelden en wapenschilden. 1852-1863: totale buitenrestauratie, mogelijk met neogotische toevoegingen en plaatsen van nieuwe beelden door J. Geefs (Antwerpen) en C. Geerts (Leuven) in samenwerking met J. Van Nieuwenhuyse (Brugge); tevens reinigen van voorgevel.
Circa 1875: aftakeling van de beelden - slechte materiaalkeuze! - resulteert in de geleidelijke verwijdering ervan.
1876, 1879-1880: restauratie van afkondigingspui (voorgevel), achtergevel en traptoren.
1884: plaatsen van stucreliëfs van J. Van Nieuwenhuyse (Brugge) met scènes uit Oude Testament op plaats van de vernielde wapenschilden.
1890-1905: neogotische inrichting van het interieur onder leiding van architect L. Delacenserie
(Brugge). Gelijkvloerse verdieping: vervangen van stenen overwelving door vlakke zoldering. Bovenverdieping, ingericht tot de zogenaamde "Gotische Zaal", na samenvoeging van de kleine en grote schepenkamer onder doorgetrokken gewelf, en opnieuw openen van twee vensters in achtergevel.
1924: P. Hinderyckx kapt nieuwe beelden van Onze-Lieve-Vrouw met de inktpot, Maria en de engel Gabriël (1937).

1939: restauratieproject voor dak naar ontwerp van architect J. Viérin (Brugge), echter niet uitgevoerd ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog.
1958-1962: nieuwe restauratie naar ontwerp van architect L. Viérin (Brugge) nu uitgebreid naar torens, vernieuwen van de beeldnissen, schoorstenen en vervangen van de Bijbelse reliëfs van 1884 door gepolychromeerde wapenschilden naar ontwerp van N. Gerrits (Antwerpen) in samenwerking met P. De Wispelaere (Brugge) voor de polychromie, zie toestand van 1711.
1969-1970: voor de beelden opteert men in plaats van voor het kopiëren van de beelden uit de 19de eeuw, voor het kappen van nieuwe. M. Witdouck (Lovendegem) vervaardigt zeven beelden met gotische inslag, geplaatst op de onderste rij.
1981: uitschrijven van een wedstrijd naar aanleiding van de langdurige polemiek over vorm en stijl van de 48 ontbrekende beelden; de winnaars zijn L. Canestraro en S. Depuydt (Snellegem), in samenwerking met P. Goetinck en J. Franck (Brugge). Zij kappen uiteindelijk de overige beelden naar de iconografie van vóór het ancien regime i.e. figuren uit het Oude en Nieuwe Testament, naast de respectievelijk heersers van Vlaanderen, als graven, gravinnen, aartshertogen en keizers, doch geplaatst op andere consoles, die met name de wapenschilden van de subalterene steden
uitbeelden.
1981, 1985-1986: consoliderende restauratie van gevels, bedakingen en centrale traptoren onder leiding van architect P. Viérin (Brugge).
1995: reiniging van voorgevel.
Constructie van Lediaanse kalkzandsteen met uitzondering van bakstenen achtergevel; twee bouwlagen op rechthoekige plattegrond. Typerende indeling met twee beuken van zes traveeën, doorgetrokken van kelder tot nok; tegen achtergevel, centrale traptoren op veelhoekig grondplan. Huidig uitzicht resulteert uit opeenvolgende restauraties
.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29238)

Sint-Basiliuskapel en basiliek van het Heilig Bloed

Gebouwencomplex gelegen in de zuidwesthoek van de Burg. Aan de zuidzijde, de dubbelkapel met beneden de Sint-Basiliuskapel en erboven de basiliek van het Heilig Bloed met de aansluitende Heilige-Kruiskapel ten zuiden;
Circa 1134-1157: Diederik van de Elzas bouwt de Romaanse dubbelkapel naast het Steen, de oorspronkelijke grafelijke residentie aan de westzijde van de Burg, en op enkele meters van de zuidelijke burchtmuur uit de 10de eeuw. De nieuwe kapel wordt toegewijd aan Heilige Basilius in het vooruitzicht van de overbrenging van de Basiliusrelikwie vanuit de Sint-Donaaskerk, wat uiteindelijk nooit plaatsvindt.
In de loop van de eerste helft van de 13de eeuw: de uit Constantinopel afkomstige relikwie van het Heilig-Bloed wordt aan de stad overgedragen en in de bovenkapel ondergebracht. Laatst genoemde wordt van nu af Heilig-Bloedkapel genoemd.
1291: oudste vermelding van de Heilige-Bloedprocessie.
14de eeuw: de bloeiende verering leidt tot uitbreiding van de Heilige-Bloedkapel zijnde de bouw van de Heilige-Kruiskapel tegen de zuidzijde van de bovenkapel. Hiervoor worden als fundering drie muren opgetrokken tussen de Sint-Basiliuskapel en de 10de-eeuwse burchtmuur, die worden overkluisd met tongewelven.

1528-1532: mogelijk ter vervanging van een eenvoudige trap als rechtstreekse toegang van buitenaf tot de Heilige-Bloedkapel, bouw van een laatgotisch trappenhuis, zogenaamd de "steeghere", met torenbekroning als pendant van de twee noordwestelijke hoektorens van de Heilige-Bloedkapel;
1686: verbouwen van het schip in de Heilige-Bloedkapel waardoor laatst genoemde een laatgotisch uitzicht krijgt aansluitend bij het eerder gewijzigde koor.
1792: de Franse Revolutie brengt ernstige schade toe aan het complex dat verder vervalt; een lid van de Confrerie verbergt de relikwie die later wordt overgebracht naar de Sint-Salvatorskathedraal. Het stadsbestuur beoogt zelfs het vervallen gebouw te verkopen, maar in 1804 wordt een aanvraag tot herinrichting geformuleerd; dit belet echter niet dat belangrijke delen van het gebouw nog gesloopt worden.
1820-1830: restauratie van het bedehuis naar ontwerp van stadsarchitect J.R. Calloigne (Brugge). Eerst heropknappen van de Sint-Basiliuskapel waarvan het Romaanse interieur in essentie bewaard blijft. opnieuw installeren van de Heilige-Bloedrelikwie in 1825.
1845-1849: in Heilige-Bloedkapel, invoegen van glas-in-loodramen door glazenier J.F. Pluys (Mechelen) in samenwerking met historieschilder G. Wappers (Antwerpen) geïnspireerd op de bewaarde tekeningen van de middeleeuwse ramen met vorstenportretten, aangevuld met eigen voorstellingen van Albrecht en Isabella en van Maria-Theresia en Frans I. Het plaatsen van glas-in-loodramen is aanleiding tot een nieuwe, meer sfeervolle aanpak van het interieur met aandacht voor de coördinatie tussen de specifieke lichtinval en de polychromie van de muren.
1895-1896: restauratie van de Sint-Basiliuskapel door architect L. Delacenserie.
1922: in Heilig-Bloedkapel, aanbrengen van eikenhouten lambrisering tegen de noordmuur naar ontwerp van architect J. Viérin als kader voor de geschilderde kruisweg van J. Anthony (Antwerpen).
1923: verheffing van de Heilig-Bloedkapel tot basiliek. 1925: nieuw orgel van J. Anneessens (Menen) met kast naar ontwerp van architect J. Viérin.
1934: de in 1927 vastgestelde schade aan het gewelf van de Heilige-Kruiskapel leidt tot de nagenoeg volledige wederopbouw ervan door J. Viérin. Het uitgevoerde ontwerp grijpt echter terug naar de eenvoudige gotische kapel zoals getekend op het stadsplan van Marcus Gerards (1562).
1949: in de Heilig-Kruiskapel, polychromeren van het houten spitstongewelf en de muren, en muurschilderingen door J. Linthout (Brugge) in de trant van de Heilig-Bloedkapel. Beide kapellen vormen nu als het ware één geheel waarbij de Heilig-Kruiskapel als vereringskapel fungeert.
1966: restauratiewerken aan de Heilig-Bloedkapel naar ontwerp van architect L. Viérin (Brugge), zijnde de Burggevel en de twee hoektorens waarvan onder meer het witstenen parement waar nodig vernieuwd wordt.
1969-1970: de door een bomaanslag op de Burg (1967) beschadigde glasramen van de Heilig-Bloedkapel leiden tot het in vraagstellen van het interieur. Sommigen opteren voor nieuwe eigentijdse glasramen ingepast in een vernieuwde inrichting. Tenslotte, deels bekritiseerde restauratie van de oude glasramen door G. de Lodder (Brugge).

links van de H. Bloedkapel bevindt zich de Kruiskapel, rechts, in het smalle gebouwtje, bevindt zich de Criminele Griffie

gebouw van de Criminele Griffie

torentje van de Kruiskapel

Proosdij van de kerkelijke heerlijkheid van Sint-Donaas

Gelegen aan de hoek met Breidelstraat. Voormalige Proosdij.
Voormalige gerechtelijke zetel van de kerkelijke heerlijkheid van Sint-Donaas; blikvanger vanaf het zuidelijk pleingedeelte. Thans Dienst Pers en Voorlichting van de provincie West-Vlaanderen.
1662-1665: naar ontwerp van kanunnik F. Hillewerve in samenwerking met architect C. Verhouve (Antwerpen) en aannemer C. Galiart in barokstijl gebouwd tegen en in het verlengde van de westgevel van de Sint-Donaaskerk; een laag voorgebouwtje in aansluitende bouwtrant vormt de overgang tussen Proosdij en westelijke kerkmuur.
1799-1800: sloop van het Sint-Donaascomplex met uitzondering van de Proosdij. In de loop van het vierde kwart van de 18de eeuw - eerste helft van de 19de eeuw: verbouwingswerken ten koste van detaillering van attiek, balkon, bekroning en beeldhouwwerk; ook aanpassingen van het interieur.
1865: imitatief afwerken van de mogelijk nog onafgewerkte korte oostgevel door middel van toevoegen van halve blinde rechter travee.
1907: na afbraak van zes panden aan noordwestzijde van de Breidelstraat, uitbreiding van de Proosdij met zes linker traveeën.
1972-1974: restauratie onder leiding van architect L. Dugardyn (Brugge), enerzijds historiserende aanpak voor 17de-eeuws gedeelte gebaseerd op 17de- en 18de-eeuwse iconografie, anderzijds consoliderende herstelling van de latere uitbreiding; beelden vernieuwd in Lavauxsteen door J. Dekeyzer (Langemark).
Gebouw op smalle rechthoekige plattegrond onder leien schilddak + vuurvazen. Twee bouwlagen; oorspronkelijk negen traveeën, een halve travee rechts + één travee van 1865, en zes traveeën links van 1907. Brede geordonneerde gevel getypeerd door het afwisselend gebruik van donkere arduin en lichte zandsteen. Superpositie van halfzuilen met Ionische en composiete kapitelen anderzijds horizontale geleding door middel van gekorniste puilijst, entablement en aflijnende balustrade met vuurvazen, onder meer boven 17de-eeuws deel verguld, ter hoogte van de postamenten. Twee bredere poorttraveeën oplopend in halfrond fronton, rechts bekroond door de beelden van de Griekse goden Themis (Gerechtigheid), tussen Leto (Liefde) links en Gorgo (Nijd) rechts. Korfboogpoorten in geblokte omlijsting, tussen Ionische zuilen op hoge sokkels; bekronend balusterbalkon op uitgewerkte consoles geflankeerd door liggende leeuwen. Rijkelijk omlijst balkonvenster met voluten, festoenen en fronton doorbroken door cartouche waarin rechts proosdijwapen met jaartal 1664 eronder. Flankerende hermenpilasters en vrouwenfiguren. Arduinen kruiskozijnen beneden, houten kruisramen boven; glas in lood. Geriemde omlijstingen, op eerste en tweede bouwlaag respectievelijk met rechte kroonlijst en gebogen fronton. Neobarok houtwerk voor de poort.

De wandeling gaat verder door de Hoogstraat

Van Burg naar Langestraat. Naamgeving, sinds 1305, verwijst naar de hoogte van de Casselberg leidend naar de Molenbrug waar oorspronkelijk een molen stond bij het Vuldersreitje. Eén van Brugges oudste en belangrijkste verkeerswegen, vermoedelijk deel uitmakend van Romeins wegtracé Oudenburg-Aardenburg. Vanouds belangrijke straat met residentiële woonfunctie ten oosten van administratief en religieus centrum (zie Burg)
Belangrijke woonwijk met burgerwoningen verdergezet in de 19de eeuw, zie herenhuizen met bepleisterde en beschilderde lijstgevels. Thans diverse functies onder meer horeca-, woon- en handelsfunctie, laatst genoemde ingezet in de 19de eeuw leidt tot opeenvolgende verbouwingen van de begane gronden tot winkelpui
. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/4252)

gedenkplaat aan de muur van hotel Casselbergh voor de 17de eeuwse Engelse koning Charles II

‘Het koninklijk Paleis van Engeland, Schotland en Ierland en het hof van koning Karel II waren hier gehuisvest van 1656 tot 1659.
Tot aan de restauratie van de monarchie verbleef koning Karel II hier met zijn broers Jacobus, hertog van York, en Hendrik, hertog van Gloucester.
Alle drie waren ze leden van de Brugse schuttersgilden van Sint-Barbara, Sint-Joris en Sint-Sebastiaan.
De Britse vorst richtte er het Eerste Regiment Garde te Voet, later Grenadier Guards (1656) en de Life Guards (1658) op als lijfwacht en om de Lage Landen te verdedigen tegen Frankrijk in de Frans-Spaanse Oorlog.
Koning Karel II hield van Vlaanderen en in het bijzonder van Brugge. In 1662 schreef de dankbare vorst “ de Vlamingen zijn het eerlijkste en meest rechtgeaarde volk dat ik ooit heb ontmoet” ‘
Deze tekst is ook in het Engels weergegeven en goedgekeurd door de Engelse regering

inkijk in een zijstraatje van de Hoogstraat

Via de Peerdenstraat komen we bij de Peerdenbrug over de Groenerei (reien is de algemene benaming voor waterlopen in de stad Brugge)

Peerdenbrug

De Peerdenbrug onderbreekt de Peerdenstraat en verbindt de Reie met de Groenerei.
De Peerdenbrug wordt voor het eerst vermeld in 1392; het is een houten brug die reeds in 1431 wordt herbouwd. Deze brug heeft, net als de nabijgelegen Meebrug, reeds vroeg een belangrijke verbindingsfunctie tussen de binnenstad en de aanpalende buitenwijk, zogenaamd de "Braamberg", omdat deze laatste al kort vóór 1246 bij de binnenstad wordt gevoegd. De huidige stenen boogbrug dateert van 1642. Naast de brug, langs de Groenerei, bouwde men een drenkplaats voor paarden. Vanaf 1855 werd door de buurtbewoners geijverd om de drenkplaats weg te nemen, wat in 1862 gebeurde. Ze werd toen vervangen door een stenen borstwering. De laatste grondige herstelling van de Peerdenbrug had plaats in 1952 onder meer toegespitst op het gewelf.
De Peerdenbrug is een steile boogbrug. Het parement bestaat nagenoeg volledig uit verankerde baksteen, met uitzondering van de arduinen boog en dekplaten. Een smalle, stenen trap ter hoogte van de noordoostzijde, afgesloten met een ijzeren hekken, geeft toegang tot het water. De brugdoorgang is op het niveau van het water versmald door middel van twee platforms.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200801)

zicht naar links, gebouwen langs de Groenerei. De lage gebouwen behoren tot het Godshuis ‘De Pelikaan’

Godshuis gesticht in 1708 doch stichtingsakte van 1714; inrichting van zeven wooneenheden met een gang en kapel, bestemd voor zeven weduwen. In 1830, vervangen van bolkozijnen en glas-in-loodramen door kleine roedeverdelingen. In 1911, verfraaiende restauratie naar ontwerp van architect J. Viérin (Brugge). 1967-1974, omvormen van kamers tot vier woongelegenheden met vrij ingrijpende restauratie van de gevels onder meer herbouwen van geveltop en achtergevel.

vanop de Peerdenbrug kijken we naar rechts, de brug is de Meebrug

De Meebrug onderbreekt de Meestraat en verbindt de Reie met de Groenerei.
De eerste vermelding van de Meebrug dateert van 1290. De huidige benaming wordt echter pas voor het eerste gebruikt in 1440. Deze brug heeft, net als de nabijgelegen Peerdenbrug, reeds vroeg een belangrijke verbindingsfunctie tussen de binnenstad en de aanpalende buitenwijk, zogenaamd de "Braamberg", omdat deze laatste al kort vóór 1246 bij de binnenstad wordt gevoegd. In 1390 werd de oorspronkelijke houten brug vervangen door een stenen exemplaar, gebouwd door de befaamde Brugse bruggenbouwer Jan van Oudenaerde († 1412). De Meebrug is een eenvoudige boogbrug met gekasseid wegdek. Het buitenparement bestaat uit regelmatig gehouwen blokken Brabantse witsteen in combinatie met arduin voor de sluitstenen van de bogen en de dekbladen. De borstweringen aan de westzijde en de volledige oostzijde van de brug zijn opgetrokken uit baksteen.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200799)

We slaan af, rechts op de Groenerei

Groene Rei: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/21184)
De Groene Rei met omgeving is beschermd als stadsgezicht omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde, de architecturale waarde, de ruimtelijk-structurele waarde, de stedenbouwkundige waarde en de archeologische waarde
historische waarde

De Groene Rei is één van de belangrijkste stadskanalen waarin nog deels de natuurlijke loop van de rivier de Reie en de oorspronkelijke Reiebedding herkenbaar is in het licht kronkelende tracé. De Groene Rei vormt het vervolg van de waterloop de Reie die via het Minnewater de stad binnenkomt en via het tracé Begijnhof, Sint-Janshospitaal, Onze-Lieve-Vrouwekerk, de Dijver, de Groene Rei en de Lange Rei de stad in het noorden verlaat. De Groene Rei maakt deel uit van de eerste omwalling van 1127 en vormde een belangrijke en geschikte verdedigingsstructuur rond de oudste stadskern van Brugge.
De nieuw gegraven Coupure van 1751-1753 sloot aan op de bestaande Groene Rei. Hierdoor werd de Groene Rei, veelvuldig gebruikt voor het regionaal en lokale transport van volumineuze of zware producten, zoals bouwmaterialen. Dit bleef zo tot in de 19de eeuw, en zelfs deels nog tot in de jaren 1950. Op foto's en prentkaarten van de 19de eeuw ziet men hier vaak binnenschepen. Dit stadsbeeld met centraal de Groene Rei, de brugjes en de aanpalende straten en bebouwing is vastgelegd in talrijke geschreven en niet geschreven bronnen zoals schilderijen en foto's.
De Groene Rei is één van de meest gefotografeerde en geschilderde zichten van Brugge.

De bebouwing langs de Groene Rei en omgeving vertoont een grote historische gelaagdheid en vormt een belangrijk merkteken in het stedelijke landschap. De heterogene gevelwanden langs de Steenhouwersdijk, de Groenerei, de Peerdenstraat, de Meestraat en de Hertsbergestraat zijn het resultaat van het bouwen en verbouwen door de eeuwen heen. Binnen het stadgezicht "Groene Rei en omgeving" zijn verschillende typologieën te onderscheiden met name burger- en herenhuizen, een oranjerie, een tuinpaviljoen en een godshuis. De gevelwanden binnen het voorgestelde stadsgezicht worden gekenmerkt door een gaaf bewaard, heterogeen karakter met hoge architecturale kwaliteit. De omgeving van de Groene Rei vormt een staalkaart van verschillende architectuurstijlen vanaf de 15de eeuw tot de 20ste eeuw: gotiek, typische 17de-eeuwse trapgevels, barokke architectuur, rococo, classicistische en neoclassicistische architectuur en panden in historiserende stijl waarbij de restauratie, gekend als "Kunstige Herstelling" van panden, goed wordt geïllustreerd.
De Groene Rei met bewaarde kaaimuren, gietijzeren leuningen, de bruggen en zijn imposante bebouwing langs de oevers vormt - samen met de gaaf bewaarde gevelrijen in de aanpalende straten - een uniek geheel. De Groene Rei en omgeving zijn mede door haar hoge esthetische en architecturale kwaliteiten, steeds een publieke aantrekkingspool geweest, die ook internationaal gesmaakt werd en wordt. Wonen langs het water werd al vanaf de middeleeuwen als een privilege gezien en dit weerspiegelt zich in de nog bestaande statige gebouwen. De gekozen typologie, architectuurstijl en hoogstaande architecturale uitwerking houdt verband met het unieke zicht op de Groene Rei.

Het stadsgezicht Groene Rei en omgeving illustreert enerzijds het bouwen binnen de eerste stadsomwalling van 1127 en anderzijds de stadsuitbreiding van 1297. Over de gracht werden de Meebrug en de Peerdenbrug gebouwd om de oude stad te verbinden met de nieuwe wijken om de toen pas verkavelde wijk rond de Leertouwerstraat en de Braambergstraat gemakkelijk bereikbaar te maken. De kleinere percelen tussen de Meestraat en de Peerdenstraat zijn het resultaat van een verkaveling tussen 1170 en 1183 met als doelstelling het gebied optimaal als woonzone te gebruiken. De nog aanwezige brandstraatjes zijn getuigen van de vroegere perceelstructuren

burgerhuis op de hoek

Gelegen aan de hoek met Peerdenstraat. Enkelhuis van drie + vier traveeën, souterrain en drie bouwlagen onder schilddak, met oudere kern. Neoclassicistische, bepleisterde en wit beschilderde lijstgevel op donkere plint met keldervensters, gebouwd in  1873 (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/21184)

achterzijde van huizen gelegen in de Hertsbergestraat

Eens voorbij de Meebrug verandert de benaming van de straat naar Steenhouwersdijk

Benaming, sinds de 14de eeuw afgeleid van de aanwezige steenhouwers in de buurt, slaat tot circa 1825 ook op de huidige Groene rei. Van oudsher belangrijke economisch-commerciële locatie door de nabijheid van het ambachtshuis van de kleermakers (huidig nummer 3), van de vleeshouwers op hoek met Vismarkt en steenhouwers. Heden voornamelijk bewoning en één hotel; tevens deel van het voornaamste, toeristische circuit onder meer door het uitzicht op de classicistische achtergevel van huis "De Caese" en de 15de-eeuwse achtergevels van de Burgerlijke Grifie, 't Brugse Vrije en het Stadhuis, gelegen op de Burg. Korte, rechte, gekasseide straat, enkel aan zuidzijde bebouwd en aan noordzijde ingenomen door Reie, enkele bomen en banken. Gevarieerde bebouwing van lijst- en trapgevels, met kern opklimmend tot de 17de eeuw.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/10332)

aan de overzijde van de Steenhouwersdijk bevindt zich Huis De Caese

Zogenaamd Huis "De Caese" gelegen op het einde van doodlopend straatje in het verlengde van de Mallebergplaats, en met achtergevel aan de Reie. Classicistisch breedhuis van vijf traveeën onder zadeldak (leien). Opgetrokken naar ontwerp van meester-metslaar E. Goddyn (Brugge) in opdracht van het bestuur van het Brugse Vrije. Jaartal 1767
In 1991 aanleg van een binnenplein en plaatsen van het beeld van Niobe van C. Permeke
.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29334)

beeld van Niobe, Kopie naar beeld van Constant Permeke

Afbeelding van Niobe, dochter van Tantalos, koning van Thebe. Het oorspronkelijke beeld werd in 1946 in kunststeen vervaardigd. Na de dood van Permeke gaf de familie toelating voor het maken van kopijen

het originele beeld in het Kröller-Müllermuseum (foto en tekst https://krollermuller.nl/constant-permeke-niobe-1)

Niobe is gebaseerd op een verhaal uit de Griekse mythologie. Deze koningin van Thebe beveelt haar onderdanen haar te aanbidden in plaats van de godin Leto. Ze voelt zich boven Leto verheven omdat zij veertien kinderen heeft en de godin slechts twee. Maar zij wordt gestraft voor haar hoogmoed: al haar kinderen worden gedood door de kinderen van Leto.
Permeke drukt in zijn beeld het immense verdriet uit van een vrouw die haar kinderen verliest. In wanhoop heeft Niobe zich ter aarde geworpen. Maar het thema biedt hem ook de mogelijkheid om de schoonheid van het vrouwelijk naakt te laten zien, in een expressieve houding en met de stevige proporties die ook de figuren in zijn schilderijen hebben.

achterzijde van gebouwen op de Burg (van rechts naar links) Brugse Vrije, Burgerlijke Griffie en het Stadhuis

we komen bij de Vismarkt

Zogenaamd naar functie als plein waar men sinds de tweede helft van de 18de eeuw tot heden nog steeds vis verkoopt. Vóór circa 1745, graanmarkt. Oostzijde tot 1762 ingenomen door het "Oostvleeshuis", zijnde het ambachtshuis van de vleeshouwers,
Een dubbele colonnade van 126 Toscaanse zuilen zonder basis omsluit een rechthoekig binnenplein.
Sinds 1821 is het plein ingenomen door de Vismarkt, dit is een omlopende neoclassicistische colonnade met tweevoudige Toscaanse zuilenrij van Ecaussineshardsteen onder leien bedaking naar ontwerp van architect J.-R. Calloigne (Brugge);(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/10335)

eenheid waar vis verkocht wordt (maar niet vandaag)

aan de zijde van de reien bevindt zich de Blinde Ezelbrug die toegang geeft tot de Burg

De Blinde Ezelbrug was oorspronkelijk één van de vier bruggen die toegang boden tot de tiende-eeuwse grafelijke burcht. De huidige brug is echter gebouwd in 1855 naar een ontwerp van de Brugse stadsarchitect Jean-Brunon Rudd (1792-1870). Oorspronkelijk had de brug ijzeren leuningen en waren aan weerszijden stalletjes opgetrokken voor de verkoop van vis. Enkele jaren later werden bij de verbreding en verlaging van de brug de stalletjes afgebroken. In 1955 werden de ijzeren leuningen vervangen door stenen borstweringen.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200786)

gebouw op de voorgrond Stadsontvangstkantoor Stadsassyse

Voormalig stadsontvangstkantoor zogenaamd "Stadsassyse".
Historiserend gerestaureerd in 1970 naar ontwerp van architect R. Platteeuw (Brugge) onder meer deels herbouwen van de plein- en Reiegevels,
Zijgevel: laatgotische, verankerde, bakstenen trapgevel (7 treden + topstuk). Korfboogdeur onder cartouche met twee vissen (1872) in samengestelde nis

(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/81956)

We komen op het Huidenvettersplein

In de loop van het eerste kwart van de 14de eeuw zogenaamd "Huidenvettersdam" zie aanwezigheid van de huidenvetters.
Grosso modo volledig ingesloten en haast rechthoekig, gekasseid pleintje; van oudsher uitkomend op Rozenhoedkaai en Vismarkt
. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/10308)

gebouwen op het Huidevettersplein, rechts Herberg De Groote Hollander, links Ambachthuis van de Huidenvetters

bord aan de poort met opschrift ‘Huidenvettershuis’

Cartouche met opschrift zegt "DE EERSTE STEEN VAN HET NIEUW AMBACHTSHUIS DER HUIDEVETTERS WERD GELEGD DOOR DEN DEKEN JAN STUYLS. 7EN MAART 1630. BOUWMEESTER JAN DE SMET. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/81954)

zicht op de reien vanaf de Rozenhoedkaai. Tijdens het (niet-corona) toeristische seizoen varen hier toeristenboten. Op de achtergrond toren van het Belfort

naar de andere zijde kijkend zien we de Nepomucenusbrug

Nepomucenusbrug: (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200800
De brug, sinds 1282 zogenaamd Grote Eeckhoutbrug, is opgetrokken in 1357 door de Brugse meester-metselaar Jan Slabbaerd. De brug werd echter al in 1642 vernieuwd. De "pijnders" of lastdragers kregen in 1421 de toestemming om er een kapel op te bouwen die in 1767 wordt vervangen door het heiligenbeeld.

Pas in 1767 gebeurt de naamsverandering. Aanleiding daartoe is het plaatsen van het beeld van Johannes Nepomucenus, brugheilige bij uitstek en patroon van onder meer de drenkelingen, vervaardigd door de Brugse beeldhouwer Pieter Pepers senior (1730-1785). In de nacht van 6 en 7 oktober 1795 kantelden onbekenden het beeld in het water en werd op 1 mei 1811 herplaatst. Op het voetstuk werd toen een tekst aangebracht.
Op de westelijke borstwering is een beeld geplaatst van de heilige Johannes Nepomucenus. Het beeld in witsteen stelt de heilige voor in een kanunnikaal ornaat met superplie, schoudermantel, bonnet en open boek aan de voet. Beide handen houden een kruisbeeld omklemd op de borst en het achterhoofd is versierd met een vijfsterren aureool. Het geheel is omgeven door twee lantarens van 1930.

aan de overzijde van de Rozenhoedkaai Huis Perez De Malvenda

detail

Laatgotisch complex huis uit 15de-16de eeuw gebouwd in opdracht van Perez de Malvenda. Huidig uitzicht resultaat van verschillende verbouwingen.
1914: Restauratiewerken naar ontwerp van J. Viérin (Brugge) in opdracht van Alex Gillès de Pélichy. Voorstel voor het restaureren van 18de-eeuws tuinpaviljoen, niet uitgevoerd maar wel vervangen door een neogotische constructie. Volledig herbouwen van neogotische ingangspartij. Inrichten van de huiskapel
. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/29966)

Het water heeft hier de naam Dijver, voorbij de brug heeft de kade dezelfde naam.

Naam zowel van straat als van waterloop, laatst genoemde ligt waarschijnlijk in de oorspronkelijk bedding van de Reie en maakt deel uit van de eerste stadsomwalling van 1127-1128. Straat met oudste naam van Brugge, de vroegste Nederlandse vermelding dateert van 1302. Naam gaat terug tot de Keltische tijd en betekent "heilig water". De Dijver vormde toen de noordgrens van een eiland begroeid met eikenbomen, voor de Kelten waren dit heilige bomen. Van oudsher een plaats van samenkomst en cultusplaats ontstaan op het eiland. De cultusplaats werd gekerstend door de kluizenaar Everelmus († 1060) en lag aan de basis van de latere Eekhoutabdij (zie Eekhoutstraat). De Dijver vormde de zuidgrens van een omwald gebied met de Oude Burg als centrum. De stelling dat er zich in 11de eeuw aldaar een belangrijke nederzetting bevond, van waaruit de stad zich verder ontwikkelde, wordt hoe langer hoe meer aanvaard.
Vrij brede, rechte en gekasseide straat, ten noorden afgeboord door een brede wandelweg, parallel met en aan de oever van de Reie

(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/10351)

Herenhuis aan de Dijver

Monumentaal dubbelhuis van negen traveeën en drie bouwlagen (nok parallel aan de straat; Vlaamse pannen), oude kern. Van 1578-1581, plaats waar relikwie van het Heilig Bloed is verborgen door Juan Perez de Malvenda. Circa 1780, vervangt het huidige herenhuis met classicistische, beschilderde en bakstenen lijstgevel kleinere panden. In 1987-1988, verbouwd tot hotel.

aan de overzijde van de Dijver, achterzijde van het klooster in de Kartuizerinnenstraat

het lage gebouw is het Poortgebouw van de proosdij van Onze-Lieve-Vrouw

Voormalig poortgebouw van de proosdij van Onze-Lieve-Vrouw, heden ingang van het Groeningemuseum, zie smeedijzeren uithangbord met opschrift "GROENINGE / MUSEUM"/. Poortgebouw van 1749
Centrale rondboogpoort in kwartholle geblokte omlijsting met rocaillesluitsteen, rondboogvensters in geriemde omlijsting met sluitsteen in de zijtravee. Originele, houten vleugelpoort met houten tussendorpel gemarkeerd door schelpmotief. De raamindeling met kleine roeden gaat terug op toestand van vóór 1853
. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82339)

Groenigenmuseum: (https://nl.wikipedia.org/wiki/Groeningemuseum)
Het Groeningemuseum is het stedelijk museum voor Schone Kunsten in Brugge.
Het museum toont een uitgebreid overzicht van zes eeuwen Vlaamse en Belgische schilderkunst, gaande van Jan van Eyck tot Marcel Broodthaers. De verzameling Vlaamse Primitieven is internationaal bekend en lag aan de basis van de belangrijkste tentoonstellingen in de laatste decades.[1] Maar daarnaast bezit het museum ook een belangrijke collectie van werken van de kleinere meesters die actief waren in Brugge in de vijftiende en de zestiende eeuw en werken die representatief zijn voor de ontwikkeling van de schilderkunst in de Lage Landen vanaf dan tot op heden.
Enkele hoogtepunten uit het museum zijn:
-de verzameling Vlaamse Primitieven met een breed gamma werken uit de late middeleeuwen en de renaissance.
-een beperkte collectie schilderijen uit de barok.
-een selectie schilderijen uit de achttiende en negentiende eeuw, gaande van het neoclassicisme tot het realisme.
-de mijlpalen van het Belgische symbolisme en modernisme.
-de meesterwerken van het Vlaamse expressionisme.
-de stukken uit de verzameling moderne naoorlogse Belgische kunst.

Het Groeningemuseum maakt deel uit van de Vlaamse Kunstcollectie en is gevestigd aan de Dijver in Brugge.

toegang tot het Huis van de Heren van Gruuthuse

Huis van de Heren van Gruuthuse

Voormalige patriciërswoning van de heren van Gruuthuse. Ze verwierven in de 14de eeuw het gruitrecht en hadden daardoor het monopolie op het verdelen van het gruit, een kruidenmengsel dat diende als basis voor het gruitbier. Thans Gruuthusemuseum, museum voor toegepaste kunst. Kern uit de 15de eeuw, in het vierde kwart van de 19de eeuw grondig gerestaureerd door architect L. Delacenserie (Brugge) en met vleugel aan Gruuthusestraat van het eerste kwart van de 20ste eeuw. Ligging vlak bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk en begrensd ten oosten door de Reie, ten zuiden door het voormalige kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, ten noorden door de Gruuthusestraat, aan westzijde een doorgang naar de Onze-Lieve- Vrouwekerk.
1596: het huis van de heren van Gruuthuse geraakt in verval en wordt verkocht aan de Spaanse koning Filips IV.
1623: de koning schenkt het goed aan Wenceslas Cobergher, stichter van de Bergen van Barmhartigheid.
1628: inrichting als Berg van Barmhartigheid.
1875: aankoop door de Stad.
1883-1895: ingrijpende restauratie naar ontwerp van architect L. Delacenserie (Brugge).
955: de oudheidkundige verzameling komt in handen van de Stad, inrichting als Stedelijk Museum voor Oudheidkunde en Kunstnijverheid.
1993: restauratie van de gevel aan de Reie.

We komen bij het Arents Hof, een parkje

Publieke tuin, ommuurd aan oost- en zuidzijde en gestut door middel van versneden steunberen, kaaimuur aan het water; brede kasseibestrating leidt naar toegangen aan noord-, oost- en zuidkant. Heden resten nog 15 bomen waaronder acacia, esdoorns, witte en rode kastanjes, plantsoenen afgeboord met taxushagen. In de zuidoostelijke hoek laat-classicistisch rond paviljoen op trapjes. Ionische zuilen met kapitelen dragen het hoofdgestel en koepelvormige bedaking

de route loopt dwars door deze tuin

waterpomp, nu staat ze droog

nu eens geen erfgoed maar een berenwinkel waar de eigenares zelf de beren naait

In de Groeninge is er de enige brug over de Eekhoutrei, een kleine waterloop welke in het verleden deels gedempt is

We slaan de Nieuwe Gentweg in

op de hoek bevindt zich Godshuis De Meulenaere, hier nog in Groeninge

Gesticht in 1613 door J. de Meulenaere in de Dweersstraat ten behoeve van vierentwintig arme weduwen en later overgebracht naar huidige locatie. Grondig gerestaureerd in 1980-1982: samenvoegen van telkens drie huisjes tot één wooneenheid. Oorspronkelijk vierentwintig eenkamerwoningen gegroepeerd per twaalf ten noorden en ten zuiden van een grote binnentuin, en met een kapel in het westen. Bakstenen armpomp onder klein zadeldak. Eertijds gescheiden van aanpalend godshuis "Sint-Jozef" door een muur, afgebroken in 1981-1982.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/12646)

in de Nieuwe Gentweg is er eerst de toegang tot Godshuis Sint-Jozef

Voormalig "GODSHUIS ST.-JOZEF / 17E EEUW" cf. recent opschrift. Oorspronkelijk gesticht in 1699 door M. Wouters in de Oostmeers doch in 1905 overgebracht naar hier, waar tot dan godshuis "Reyphins" is gevestigd, zie plan van Popp (1865).

en dan het grotere Godshuis De Meulenaere

De deur staat open, dus even binnen gaan kijken

de huisjes zijn geordend rond een binnentuin

Na een korte tijd komen we in de Katelijnestraat

ook hier weer een godshuis, Godshuis Hertsberge

Voormalig "GODSHUIS HERTSBERGE / 1683", zie recent beschilderd opschrift. Opschrift in kapel vermeldt: "TOT MERDER GLORIE GODTS SOO / HEEFT IONKER FRANSOIS GHELEIN / KEINGIAERT HEERE VAN DENTERGEM / ET. VOOGHT VAN DIT GODTS HVIS / DESE CAPELLE GEGEVEN ENDE / DOEN MACKEN IN HET IAER 1683 / ALS WANNER HET GODTS HVIS / WAS ERBAVDT OP DAT SI SVDEN / VOOR HEM BIDDEN". In 1908, restauratie van de toegangspoort. In 1969, restauratie en uitbreiding door het bijbouwen van huidig nummer 99. In 2000-2002, restauratie en herindeling in vier woongelegenheden naar ontwerp van architect H. Markey (Brugge).(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82002)

Ook hier gaan we even binnen kijken

Aan straatzijde leidt poortje naar langwerpige binnenplaats waarrond aan noordwestzijde zeven lage huisjes en aan zuidoostzijde een kapel; rechts van het poortje, soortgelijk huisje van één bouwlaag

via de Arsenaalstraat komen we bij de wegwijzer naar het Minnewaterpark, gelegen aan de oostelijke zijde van het Minnewater

Wie niet genoeg krijgt van de Brugse architectuur kan zich verdiepen in de volgende interessante website : https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/121224

Via het Minnewater komen we weer bij de Katelijnevest.
Hier starten we de Ronde rond Brugge in tegenwijzerzin. Hier zijn minder merkwaardige gebouwen, we kunnen sneller doorwandelen

wie hier niet verder stapt kan de Bargebrug nemen over de Katelijnevest, na een korte tijd is er een parking

Bargebrug: Dit opvallend staaltje van asymmetrische architectuur verbindt de stadsrand met het Minnewaterpark. Naast de brug bevindt zich het verharde vestibuleplein waarop een grote luifel schittert die de sanitaire accommodatie verbergt. Brug, luifel en sanitair gebouw zijn bewuste architecturale tegenpolen. Op deze verrassende plek start voor menig toerist het bezoek aan Brugge.(https://www.visitbruges.be/nl/bargebrug-2)

Katelijnevest: De naam geldt voor straat én parallel lopende vest en herinnert aan de oorspronkelijk nabijgelegen Katelijnepoort. De Katelijnevest is opgenomen in het beschermde stadsgezicht "Minnewater en omgeving".(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/10311)

wat verder vinden we een brede stenen bank, rustig, een tiental meter van het wandelpad, goed om even te zitten voor de lunch

wat verder zien we aan de overzijde een modern gebouw, genoemd Katelijnepoort

Ooit stond hier de Katelijnepoort

graafwerkzaamheden waarbij de fundamenten van de Sint-Katelijnepoort zijn terug gevonden

tekst en foto gepubliceerd op 19/2/2020 https://www.brugge.be/werkzaamheden-aan-de-katelijnestraat-leggen-belangrijke-historische-vondst-bloot

Tijdens de werkzaamheden aan de Katelijnestraat zijn de funderingen teruggevonden van de oude Katelijnepoort.
De Katelijnepoort maakte deel uit van de tweede stadsomwalling van Brugge (1297-1299). De poort leidde destijds naar de Sint-Catharinaparochie, waarvan de kerk buiten de stadsmuren lag, en verder richting Kortrijk.
Opgraving van de Katelijnestraat: Na de nederlaag van de Bruggelingen tegen de Gentenaren in de slag op het Beverhoutsveld (1382) werd de poort op bevel van Filips van Artevelde gesloopt. Ze werd in het begin van de 15de eeuw in witte natuursteen herbouwd. De aangetroffen poortfunderingen behoren tot deze 15de-eeuwse poort.
In de loop van de 18de eeuw volgden nog enkele aanpassingen. Het hele poortcomplex werd in 1862 afgebroken.
Het gaat om verwachte vondsten. De taak van de archeologen bestaat erin de structuren te registreren en in kaart te brengen. De aannemer bekijkt momenteel hoe de geplande leidingen geplaatst kunnen worden zodat de funderingen zo min mogelijk beschadigd raken. De funderingen blijven ondergronds behouden.

Vanaf de Katelijnepoort heet de vestweg ‘Gentpoortvest’

een mooi en breed wandelpad, meestal omgeven door bomen

mooie platanen, tijdens de wintermaanden zijn stammen en takken goed te zien. Door de zon straalt de boom a.h.w. licht uit

vervolg van de wandeling

de Gentpoortvest-Watertoren komt in zicht

In neomiddeleeuwse trant, van het type C2, van 1925; waterreservoir op ronde plattegrond met parement van rode baksteen, de bovenbouw kraagt grosso modo halverwege uit op een spitsboogfries en wordt geflankeerd door een arkeltorentje met reminiscenties aan dat van de Poertoren zie Begijnenvest; smalle, spleetvormige openingen.
De watertoren werd volledig gerestaureerd.

steeds is er een pad dichter bij het water,op een soort dijk, en links ervan een straat, beneden aan de dijkweg. Wanneer er een park is zijn er nog meer wandelwegen

we komen bij de Gentpoort

de lucht is dikwijls erg zwart, waar wij wandelen is er echter zon …

Vrijstaande, middeleeuwse stadspoort. Voormalige verbinding naar Gent.
1297: bouw van de eerste Gentpoort.
Circa 1328: in uitvoering van het vredesverdrag van Athis-sur-Orge (1305), ontmanteling van alle stadsversterkingen onder meer Gentpoort
.
1361-1363: heropbouw door Matthias Saghen en Corneille van Aalter.
1382: grondige vernieling door aanval van de Gentenaren. Circa
1401-1407: herbouwd door Brugse meester-metselaars Maarten van Leuven en Jan van Oudenaarde; ligging in de gracht en door een voorpoort en twee valbruggen verbonden met de middenberm. 1562: Marcus Gerards tekent de huidige poort bekroond door tentdaken bekroonde en een imposante voorpoort met stenen boogbrug eveneens geflankeerd door spitse torens; aan weerszijden staat de vestingmuur met woontorens en bastions.
Circa 1752: sloop van voorpoort en valbrug omwille van verbreding van de gracht voor de scheepvaart van en naar Coupure; voorpoort vervangen door houten draaibrug. In de loop van de eerste helft van de 19de eeuw: afbraak van de aanpalende vestingmuren.
1905: plaatsing van het Mariabeeld van de hand van beeldhouwer M. D'Hondt. 1944: "OP 12 SEPTEMBER 1944/ HEBBEN DE DUITSCHERS/ LANGS DEZE POORT/ DE STAD VERLATEN" zie gedenksteen met opschrift.

In de loop van jaren 1950: inbrengen van de kleine korfbogige voetgangersdoorgangen in de torenrompen.
1956: restauratie naar ontwerp van architect L. Viérin (Brugge) en vervangen beeld van D'Hondt door beeld van H. Adriaan van beeldhouwer M. Poppe.
1979: restauratie van de daken naar ontwerp van architect M. Troffaes (Brugge).
1980: bouw van huidige draaibrug en aanleg van straat ten westen om verkeer om te leiden.
1999-2002: inrichting van de poort tot Steenmuseum naar ontwerp van architect R. Vereecke (Oostende), maar definitief gesloten op 1 januari 2020

(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/81919)

poortgebouw aan de andere zijde

De benaming van de straat wordt vanaf nu Boninvest.
Bonin was de naam van een van de voornaamste middeleeuwse Brugse families, die een kasteelgoed bewoonde op de Boninswal en ook aldus genoemd werd. Boninvest verwees naar de wallen die errond opgericht stonden. Dit landgoed is te zien op de kaart van Marcus Gerards van 1562.
Het gedeelte vesting, langs de gracht of vaart, werd niet, zoals elders, in de 19de eeuw omgebouwd tot promenade. Het stadsbestuur maakte er gebruik van om stedelijke diensten een plaats te bieden: de begrafenissendienst met zijn paarden en lijkkoetsen, de ruim- en reinigingsdiensten met hun paarden en karren, de stadsweegbrug, de schuthok voor huisdieren enz. Nabij de Gentpoort stond in de negentiende eeuw en tot in 1950 een fabrieksgebouw dat op cijnsgrond was opgetrokken.
(https://nl.wikipedia.org/wiki/Boninvest)

Wat verder wordt de rondweg onderbroken omdat de waterloop Coupure hier verbinding maakt met de vest


gelukkig is er een brug voor wandelaars en fietsers

hier liggen heel wat boten

Coupure: De Coupure is een kanaal in het centrum van de stad Brugge. Het is meteen ook de naam voor de straat Coupure, die er aan de westelijke zijde langs loopt en van 1753 tot in 1935 Coupurerei genoemd werd. De straat langs de oostelijke zijde heet Predikherenrei.De Coupure werd gegraven in de periode 1751-1753, als een onderdeel van het kanaal dat Gent, Brugge en Oostende met elkaar diende te verbinden. Het octrooi voor het graven van de Coupure werd in 1751 uitgevaardigd door Maria Theresia van Oostenrijk en haar gevolmachtigd minister Antoniotto Botta Adorno. De Coupure loopt van de Ringvaart tussen de Bonin- en de Kazernevest, iets ten noorden van de Gentpoort, tot aan de samenvloeiing van de Groenerei en de Sint-Annarei.

Vroeger eindigde het kanaal Brugge-Oostende nabij de Dampoort, terwijl de Gentse Vaart aan het Minnewater begon. Om van het ene kanaal naar het andere te geraken, moest men dwars door Brugge varen. De nieuwe vereisten brachten echter met zich mee dat de waterwegen door het centrum van Brugge dienden te worden verdiept. Dit was mogelijk voor de Langerei en de Sint-Annarei, maar voor het gedeelte tussen de Molenbrug en het Minnewater bleek dit niet haalbaar. Daarom besloot men halverwege de 18e eeuw de Coupure te graven. Het gedeelte van de buitenvestingsgracht tussen de Coupure en de Katelijnepoort, waar de Gentse vaart begon, werd eveneens verbreed en uitgediept. Tot 1855 vormde de as Langerei - Sint-Annarei - Coupure de doorvaart van de Oostendse vaart naar de Gentse vaart. Daarna werd de vestinggracht tussen de Coupure en de Dampoort eveneens bevaarbaar gemaakt en werden aan de Dampoort de nodige sluizen gebouwd. Hiermee ontstond de huidige omvaart rond de binnenstad van Brugge.
De aanleg van dit kanaal betekende letterlijk een snede door de stad Brugge. Huizen, enkele straatjes en een kloostertuin dienden te verdwijnen om de verbinding met de reeds bestaande Langerei mogelijk te maken. Dankzij de afsnijding via de Coupure vermeed men de smalle, bochtige reitjes in het zuiden van de stad.
Ondertussen heeft het kanaal zijn economische betekenis verloren, omdat de vrachtschepen een andere route nemen, via de Ringvaart. De Coupure wordt nu hoofdzakelijk bevaren door recreanten. Er is een kleine jachthaven, waar ook een paar woonboten liggen aangemeerd
. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Coupure_(Brugge))

Ter hoogte van de oude vesten en de Ringvaart, waarop de Coupure aansluit, werd in 2002 een fiets- en voetgangersbrug over de Coupure aangelegd. Deze werd ontworpen door Jürg Conzett. Het was het sluitstuk voor de fiets- en wandelpaden langs de oude vesten rond de binnenstad. Voorheen moesten fietsers en wandelaars een omweg maken tot halverwege de Coupure, om daar het water over te steken. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Coupure_(Brugge))

De benaming van de vest verandert weer, nu naar Kazernevest. Oorspronkelijke naam "de veste tussen de Kruispoort en de Gentpoort". Huidige naam voor straat en vesten verwijst naar de kazerne die sinds 1742 tot 1957 ter hoogte van het huidige gerechtsgebouw was gevestigd.
Bouwblok tussen de Kazernevest, Lange-, Koopmans- en Vuldersstraat (van 1835 tot 1965) voornamelijk ingenomen door militaire gebouwen met bijhorende rijbaan op de vestingen.
In de loop van de tweede helft van de 19de eeuw, bouwen van woningen op "naakten grond" of ter vervanging van tuinmuren. In het begin van de straat worden de kazernegebouwen gesloopt en worden ze in 1976-1980 vervangen door het Gerechtsgebouw en een wijk met sociale woningen van naar ontwerp van architect Eugène Vanassche (Brugge).
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/10267)

woningen langs de Kazernevest

een schouw afkomstig van een voormalige blikslagerij en lakkerij

Van 1929 tot 1993 blikdrukkerij en lakkerij De Clerck. Heden een "woonfabriek" met vijf woongelegenheden en een orthodentistenpraktijk. Het ensemble van fabrieksgebouw met twee bijhorende woonhuizen van 1928, gelegen tussen het Bilkske, de Kazernevest en de Ganzenstraat naar ontwerp van architect M. Vermeersch (Brugge), is fasegewijs tot stand gekomen. In 1936 uitbreiding. In de jaren 1950 bouwen van een schouw. In 1999 herbestemming als orthodontiepraktijk en vier lofts naar ontwerp van architect A. Vanderstraeten (Gijzenzele): behoud van de oorspronkelijke structuur en materialen onder meer ijzeren gebint met vakwerkliggers en sheddaken met de typische bedaking en beglazing. Achteraan geringde rode bakstenen schoorsteen in de jaren 1950 gebouwd omwille van de geurhinder.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/83237)

mooi gebied om te wandelen

op het water is het een en al meeuwengekrijs, deze hier is een onvolwassen Kokmeeuw

gebouwen van de rechtbank, politierechtbank, jeugdrechtbank, eerste aanleg, parket, arbeidsrechtbank, rechtbank van koophandel en het Hof van assisen

vervolg van onze wandeling, ronde van Brugge

tijdelijke Kruispoortbrug (sinds februari 2018)) omdat de eigenlijke brug sinds einde 2016 stuk was. Het is een draaibare brug zodat het scheepsverkeer door kan varen

de eigenlijke Kruispoort met brug

Vrijstaande, middeleeuwse stadspoort, gesitueerd ten westen van Buiten Kruisvest en met variërende bestemmingen in de loop der tijden. Gebouwd als stadspoort, later ingericht als conciërgewoning en museum voor oorlogsgeschiedenis (tot circa 1988).
1297: aanleg van tweede stadsomwalling.
1302-1304: bouwen van de eerste Kruispoort.
1305: opgelegde sloop van de poort ten gevolge van de conflicten met Frankrijk en de nederlaag van 1305. 1328: uitvoering van het bevel van 1305 en afbraak van de poort.
1366-1367: uitvoering van werken aan de Kruispoort naar aanleiding van de gewijzigde politieke verhoudingen waarbij de stad werd aangespoord om een verdedigingsgordel aan te leggen.
1401-1406: bouw van het poortcomplex bestaande uit een hoofdgebouw, twee bruggen, acht torens en een voorpoort. De poort verkreeg aldus haar bekend silhouet dat in1562 door Marcus Gerards werd opgetekend.
1578: uitvoering van aanpassingswerken.
In de loop van de 16de tot 17de eeuw: slopen van de bovenbouw naar aanleiding van moderniseringswerken.
Circa 1760: afbraak van de voorpoort.
1969-1972: restauratiewerken met groot respect voor de bestaande getuigen en met een discrete reconstructie van sommige onderdelen.
2001-2002: consoliderende restauratie naar ontwerp van ontwerpbureau Stad Brugge.

De beide bruggen gaan over de ringvaart van Brugge. De ringvaart verbindt het kanaal Gent-Brugge met het kanaal Brugge-Oostende

Het volgende gedeelte van de vesten is de Kruisvest, de groene strook tussen straat en water is breder. In dit gebied staan 4 windmolens

de eerste windmolen wordt Bonne Chiere genoemd

Op deze locatie langs de Kruisvest stond in 1487 een windmolen, die in historische bronnen als “Bonnesiere” (1519) en als “Beilschiere” (1529) wordt vermeld. De molen was aanvankelijk een schorsmolen, in het bezit van het huidenvettersambacht. De molen werd in 1529 te koop gesteld en werd vervolgens omgevormd tot een korenmolen. In 1541 wordt de molen ook wel vermeld als molen “De Boone”. De molen staat aangeduid op de kaarten van Marcus Gerards (1562) en Jacob van Deventer (1558-1575). De molen werd in 1720 heropgericht. Op 21 november 1903 waaide de molen omver. De oude molenwal werd in 1906 door de stad Brugge aangekocht. In 1911 werd de driezolder uit Olsene aangekocht dankzij giften van aannemer Emmanuel De Cloedt.
Deze houten staakmolen stond op de Olieberg in Olsene tussen de Kreupelstraat en de Oliebergstraat en was ingericht als koren- en boekweitmolen. Deze molen was op zijn beurt in 1844 overgebracht uit de Heirweg, waar hij vóór 1824 was opgericht als de Oliebergmolen.
De molen werd op zijn nieuwe plaats langs de Kruisvest aangeduid met de “Bonne Chiere” molen, naar zijn voorgangers op deze plek. De molen is nooit in werking gebracht. De molenkast is nagenoeg leeg. Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakten de buitendeur en enkele weegbanden los bij het dynamiteren van de Kruispoort. Een sloop van de molen omwille van brandhout kon verhinderd worden.
In 1938 werden nieuwe geklinknagelde roeden (fabricaat Verhaeghe uit Ruddervoorde) aangebracht. In 1961 werden de kruisplaten, teerlingblokken, staart, papen en bekleding van de molenkast vernieuwd door molenmaker Robert Van de Kerkhove uit Ingelmunster. In 1968 werden nieuwe gelaste roeden door molenmakers Peel uit Gistel aangebracht. Zij brachten in 1987 ook een nieuwe steenbalk aan. In 1992 werd de versierde borstnaald van de windweeg vernieuwd. Ook in 1997 en 2009 werden herstellingswerken uitgevoerd.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/83160)

de volgende is de Sint-Janshuismolen

De Sint-Janshuismolen is een houten staakmolen met twee zolders op een open voet, die in 1770 door het Brugse bakkersambacht werd opgericht voor het malen van graan. De molenaarswoning stond aan de noordelijke zijde van de Rolweg.
De naam Sint-Janshuismolen verwijst naar het Sint-Janshospitaal, dat de landcijns op deze molen kreeg. De molenwal werd aangelegd in 1297-1298 naar aanleiding van de aanleg van een nieuwe stadsomwalling. In een stadsrekening van 1343 wordt melding gemaakt van de Sint-Janshuysmolen. In documenten van 1563 en van 1594 staat telkens vermeld dat de molen vernieuwd werd. De staakmolen staat afgebeeld op de plannen van Marcus Gerards (1562) en Jacob van Deventer (1558-1575). In 1744 waaide de molen om.
In 1769 kochten 26 bakkers van het Brugse bakkersambacht de wal en bouwden er in 1770 (zie ook inscriptie) de huidige molen. Vandaar de benamingen Bakkersmolen of Sint-Aubertusmolen, naar de patroonheilige van het Brugse bakkersambacht.
Op 3 april 1914 kocht de stad Brugge de Sint-Janshuismolen van de molenaarsfamilie Gevaert. De molen draaide echter niet meer en er trad verval in. Een eerste restauratie in 1939 onder impuls van Alfred Ronse uit Gistel bleef onafgewerkt door de dreigende oorlog. Uit deze periode dateren de ijzeren steenbalk (firma Verhaeghe-Decuyper uit Ruddervoorde) en de met ijzer versterkte steenlijsten, de dekkerlager en regulateurs. In 1957 werden nieuwe werken uitgevoerd door Robert
Van de Kerkhove uit Ingelmunster. Er werden toen onder meer een nieuwe staart, hangbomen en loopstaken en eiken schaliën op de kap en windveeg aangebracht. Er werden aanpassingen aan het wiekenkruis uitgevoerd (windplanken, zomen). Pas in 1964 werd de molen terug in gebruik gesteld. Het was de eerste keer dat een molen na jarenlange stilstand omwille van cultuur-toeristische doeleinden terug in werking werd gesteld.
In 1968 werden nieuwe gelaste roeden geplaatst (gebroeders Peel uit Gistel). In 1990 werden onder meer de kruiklossen en de halslager (staak) hersteld en werden de molenzeilen vernieuwd. In 2001 werden de kruisplaten, teerlingblokken, schoren, staart en het hekwerk van de roeden vervangen en kreeg de molenkast een nieuwe beplanking. Ook de gelaste roeden werden behandeld. In 2017 werd een nieuwe buitentrap aangebracht (Wieme Roland & Kris uit Machelen).
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/83161)

de derde molen is de Windmolen Nieuwe Papegaai

boven op de nok prijkt een papegaai

Houten staakmolen, in 1970 overgebracht uit Beveren-aan-de-IJzer en opgericht op de Kruisvest in Brugge op de plaats waar de vroegere oliemolen “De Papegaai” stond. De staakmolen uit Beveren-aan-de-IJzer was in oorsprong een oliewindmolen.
Op de plaats waar deze molen nu staat, stond vroeger de oliemolen “De Papegaai”. Dit was eerst een houten staakmolen, die vernoemd werd in een schenkingsoorkonde van 1395.
De ondertussen vervallen houten staakoliemolen werd in 1827 vervangen door een stenen oliemolen “D’Hoope”. Dit was een stenen grondzeiler, die op de oude wal werd opgetrokken. Hij fungeerde aanvankelijk als oliemolen, vanaf 1875 diende hij als graan- en schorsmolen. Vanaf 1877 maalde de molen enkel nog graan. In 1882 werden de wieken en het draaiend werk verwijderd. In december 1892 verwierf de stad Brugge de overgebleven molenromp met kap en liet die meteen slopen.
Op diezelfde plaats werd in 1970 een houten windmolen geplaatst, die in 1790 in Beveren-aan-de-IJzer was opgericht als oliemolen. Deze molen werd, naar de voorgeschiedenis van haar nieuwe locatie, de “Nieuwe Papegaai” genoemd. In Beveren-aan-de-IJzer werd de molen “Beveren Stampkot” genoemd of de “Hoge Seinemolen”, naar de naam van het gehucht Hoge Seine. Deze molen fungeerde aanvankelijk als oliewindmolen, later als korenwindmolen
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/83162)

het pad tussen de molens ligt goed, geen modder, geen natte plekken

de vierde en laatste nog bestaande molen, Windmolen de Koelewei

De Koeleweimolen of Bosterhoutmolen is een houten korenwindmolen, afkomstig uit Meulebeke en in 1996-1997 als een standaardmolen met gesloten voet heropgebouwd op de Kruisvest in Brugge, op de plaats waar sinds de 16de eeuw een windmolen stond.
Volgens het Grondboek van 1541 stond op deze plek langs de Kruisvest reeds een windmolen, Coelen Wey genaamd.
In 1793 werd de molen te koop aangeboden. In 1822 werd de molen openbaar verkocht, omdat hij al geruime tijd buiten werking en vervallen was. Meester-broodbakker Antoon Feys kocht de molen aan, liet hem meteen afbreken en vervangen door een stenen exemplaar, die eveneens diende als korenwindmolen. In 1879 werd de molen verkocht aan de stad Brugge, die onmiddellijk tot sloop overging. In 1992-1996 werd op dezelfde plaats een nieuwe molenwal aangelegd, waarop de Bosterhoutmolen uit Meulebeke werd gereconstrueerd, met hergebruik van enkele onderdelen van die Bosterhoutmolen.
De Bosterhoutmolen was een houten korenwindmolen met oudste vermelding in 1433. Hij behoorde
tot de heerlijkheid Bosterhout. De molen werd in brand gestoken in 1590 tijdens de godsdiensttroebelen. Men slaagde erin om hem een jaar later te herbouwen. In 1765-1766 werd de Bosterhoutmolen door Joannes Vander Scheure herbouwd als houten staakmolen met open voet(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/83163)

Ondertussen komen we in het gebied Dampoort. In dit gebied komen verschillende waterlopen samen

kaart van het Dampoortgebied

De Dampoort was een stadspoort in de stad Brugge. Ze maakte er deel uit van de oude middeleeuwse verdedigingsring rond de stad. De naam van de poort wordt nog steeds gebruikt voor de plaats waar ze vroeger lag.
Het complex bestond uit drie verschillende poorten: de Sint-Nikolaaspoort, ook wel Koolkerkse Poort genaamd, de Sint-Leonarduspoort, ook wel Dudzelepoort genaamd, en ten slotte nog de Speiepoort.
De poorten hadden elk een verschillend nut; zo diende de Speiepoort als spoelsluis om het complex bevaarbaar te houden. De poorten werden geleidelijk aan afgebroken, waarbij in 1660 één nieuwe poort werd gebouwd ter vervanging van het complex. Deze poort kreeg de naam Dampoort mee. Rond 1870 werd ook deze poort afgebroken. Van het gehele complex kan nog slechts één verdedigingstoren herkend worden in het café Du Phare.
Aan de Dampoort lopen de twee Dampoortbruggen, gelegen elk aan een zijde van de Dampoortsluis, over de Ringvaart. Aan deze sluis begint ook de Damse Vaart, die in 1811-1814 in opdracht van Napoleon Bonaparte werd gegraven
.
(https://nl.wikipedia.org/wiki/Dampoort_(Brugge))

Dampoortbrug I, een ophaalbrug over de ringvaart

links huizen langs de Potterierei, rechts gedeelte van het Sasplein, in het midden gebouwen langs de Wulpenstraat

we stappen over een brug en komen op het Sasplein

Naamgeving pas van begin 19de eeuw, verwijzend naar het sluizencomplex. Straat leidend naar vijf bruggen:
1. Leonardsstuwbrug tussen Potterierei en Sasplein: vermoedelijk vóór 1297 bestaande uit een houten brug tegenover het in 1291 gebouwde sas, in 1399 als stenen brug herbouwd en op anonieme tekening van circa 1460 als boogbrug, tot circa 1926 locatie van een watermolen. Heden vaste segmentboogbrug van 1875, metalen leuningen versierd met wijngaardranken en gotische B.

2. Brug bovenhoofd oude Dampoortsluis als verbinding van Wulpenstraat met Sasplein: aanvankelijk enkel voetgangersbrug tussen Kattesas en handelskom, verdwijnt in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw, zeker vanaf 1905 nieuwe brug bij de "gistfabriek"; 1995: renoveren van sluis en plaatsen nieuwe draaibrug met twee overspanningen en ijzeren leuningen.

3. Pharebrug, op de plaats van de Dampoort, als verbinding van het Sasplein met de ring, vaste brug met twee bakstenen bogen en eenvoudige ijzeren leuningen.

4. Brug benedenhoofd nieuwe Dampoortsluis: de houten brug wordt in 1853 ten behoeve van de scheepvaart een draaibrug; de huidige klapbrug over de ringvaart dateert van 1984.

5. Brug bovenhoofd nieuwe Dampoortsluis: op het einde van de Potterierei. Klapbrug van 1982. Op het landhoofd tussen bruggen staat een bakstenen sluiswachtershuisje in neostijl.

Vanouds havenfunctie met daarmee gepaard gaande activiteiten, ook aanknopingspunt bij overbrengen van lading op binnenschepen.
Heden naast haven- en commerciële functie voornamelijk bewoning. Deels geasfalteerde en deels gekasseide straat met hoek van 90°. Afgezien van een overblijfsel van de middeleeuwse weergang ter hoogte van nummer 2, uitsluitend bebouwing uit het vierde kwart van de 19de eeuw tot de 20ste eeuw.

Het vervolg is via de Wulpenstraat, waar een replica van een middeleeuwse kraan is opgesteld. Hier zijn meerdere sluizen te zien

replica van de havenkraan

De kraan van Brugge was in 1479 een tredmolenkraan, volledig gesloten, met tredraderen aan de buitenkant. (veel meer uitleg https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1579)

andere zijde

aan de overzijde, aan de Potterierei zien we enkele huizen met trapgevels

aan onze zijde, gebouwen in de Wulpenstraat

Een groot gebied is hier eigendom van de gistfabriek

een klein gedeelte van de gist- en alcoholfabriek

Genencor International Belgium bvba is een gistfabriek in het centrum van Brugge. De terreinen werden in 1860 aangekocht door de familie Verstraete-Lycke, die een landbouwstokerij uitbaatte. In 1897 startte Jules Verstraete er een gistfabriek, die al na enkele maanden werd overgenomen door de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek uit Delft. Het maken van gist en alcohol blijft de hoofdactiviteit tot in 1969, wanneer men beslist over te gaan op de productie van enzymen, vandaag nog steeds de specialiteit. Het productieproces is biotechnologisch. In 1995 wordt de fabriek overgenomen door Genencor International. Intussen is dit een onderdeel van Dupont.

Een deel van het onroerend erfgoed is beschermd. Een recent (her)ontdekte collectie in de kelders is bijzonder rijk aan documentatie en archiefmateriaal, zoals fotoboeken, correspondentie, glasplaten, verbandkisten, plannen, ... Heel wat historische stukken zijn geschonken aan de Erfgoedcel Brugge, die in de voormalige pakhuizen van de gistfabriek is gehuisvest.

We wandelen verder langs de Komvest, een lange baan in het noorden van het centrum van Brugge

residentie De Veste, internaat voor jongens van de hotelschool Spermalie

Zogenaamd "Sint-Jozefskliniek", hospitaal van 1910 tot 1996, sedert 1996 "Residentie De Veste" als internaat voor de hotelschool Spermalie.
Vleugel aan de Komvest (1909-1910). Bakstenen complex naar ontwerp van architect H. Hoste met een straatvleugel gebouwd in eclectische stijl met neogotische inslag onder invloed van architect en leermeester L. Cloquet (Gent). Ritmisch geordende gevel met risalietvormende traveeën eindigend op trapgevels met bolvormige ornamenten. Inkompartij van 1933 naar ontwerp van M. De Meester onder platform met balustrade; achtergevel uitgebouwd als halve rotonde, rechthoekige vensters met schuiframen waarvan enkele verbouwd tot vleugelramen; karakteristieke ijzeren trap, balkon en tralies. De rechter- en linker vleugel, beide naar ontwerp van architect H. Hoste respectievelijk daterend van 1921 en 1924-1925, zijn in een eenvoudige zakelijke stijl opgetrokken
.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82888)

vervolg van de wandeling rond Brugge

Eclectisch bel-etageburgerhuis in de Koningin Elisabethlaan, volgend op de Komvest

huizen in heel verschillende stijlen

Ondertussen komen we bij de Ezelpoort

Middeleeuwse stadspoort Ezelpoort, zij-aanzicht

achteraanzicht

Vrijstaande, middeleeuwse stadspoort. Voormalige verbinding naar de buitenwijk Sint-Pieters-op-de-Dijk.
1297: samen met de aanleg van de tweede stadsomwalling, bouw van een poort door Willem Rynvisch.
Circa 1328: ontmanteling van alle stadsversterkingen onder meer Ezelpoort, in uitvoering van het vredesverdrag van Athis-sur-Orge (1305).
1369: opdracht aan Jan Slabbaerd om nieuwe poort te bouwen naar het voorbeeld van de Smeden- en Boeveriepoort; het bouwwerk ligt midden het water van de twee grachten en is voorzien van twee monumentale torens, een voorpoort met valbrug en een vaste brug, laatst genoemde herbouwd door Jan van Oudenaerde in 1385.
1677: toevoeging van het klokkentorentje met beiaardklokje, afkomstig van het Belfort en uitgevoerd door de Antwerpse klokkengieter Melchior de Haze.
1913-1951: aanleg van tramsporen (lijn nummer 3) onder de poort door.
1991-1993: vrij ingrijpende restauratie naar ontwerp van architecten J. Victoir en H. De Troyer (Brussel) uitgevoerd door Vandendorpe: grosso modo volledig ontmantelen van het gevelparement, hermetsen en heropbouwen met hergebruikt materiaal, deels vervangen van de Doornikse kalkzandsteen door Massangis, vernieuwen van de dakbedekking, vervangen van de bebordingen onder de achtzijdige torendaken door een omlopend vensterregister, dichten van de steigergaten, verwijderen van de tweede deur in het wachterhuisje en heropenen van de eerste boog van de brug aan stadszijde. Heden heeft gebouw geen bepaalde bestemming.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82625)

poort stadszijde (https://www.erfgoedcelbrugge.be/nl/8-ezelstraat-122-de-ezelpoort) met rechts van de doorgang het wachtershuisje, aan stadszijde, "traditioneel" 17de-eeuws uitzicht

een opmerkelijk gebouw in de Gulden-Vlieslaan, het vervolg van de Koningin Elisabethlaan

De wandeling gaat echter aan de overzijde van de gracht, de Filips-de-Goede-straat volgend

Rechte straat evenwijdig lopend met het zogenaamde "Stil Ende", de binnenvestingsgracht aan de oostzijde. De aanleg van de straat dateert van 1907 en is genoemd naar de Bourgondische hertog Filips de Goede (1396-1467).
In het plan van Stübben ingetekend als rentenierszone. Het plan voorziet een laan met halfopen en open bebouwing. Het uiteindelijk resultaat aan de westzijde is een vrij homogeen straatbeeld met een aaneengesloten bebouwing bestaande uit burger- en herenhuizen opgetrokken in neo-Brugse, neobarokke en eclectische stijl.
De onbebouwde oostzijde is in gebruik als wandel- en fietszone afgezoomd met bomen en het zogenaamde "Stil Ende
".(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/7036)

enkele erfgoedhuizen met van rechts naar links burgerhuis, Huis genaamd Philips de Goede, Huis Boudewijn Hapken en Burgerhuis van 1913

Burgerhuis van het bel-etagetype uit het eerste kwart van de 20ste eeuw. Baksteenbouw met eclectische gevel, traditioneel gebruik van natuursteen voor de neobarokke elementen, zie barokke deuromlijsting en cartouche. Geveltop met in- en uitgezwenkte top voorzien van voluten, driehoekige frontonbekroning en vazen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57522)

"Huis genaamd" "Philips de Goede" zie naamcartouches. Breedhuis van 1910 naar ontwerp van architect Edgard Van Gheluwe. Traditionele eclectische baksteenbouw met natuurstenen ornamenten. Centraal een uitkragend dakvenster met getrapte top.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57521)

"Dit Huis" "Boudewijn Hapken" "Genaemt", zie naamcartouches. Diephuis van 1913 met neobarokke gevel. Traditioneel gerbuik van natuur- en baksteen. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57520)

Hoekpand bij de Tornooistraat. Burgerhuis van 1913 gebouwd op perceel lopend tot aan de evenwijdig lopende Keizer Karelstraat. Neobarokke gevels van baksteen met traditioneel gebruik van natuursteen. Sierankers. Bewaard schrijnwerk. Tuin afgesloten door smeedijzeren hekwerk tussen bakstenen pilasters. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57519)

bij een zijstraat kijken we op enkele gebouwen in de Keizer Karelstraat. Het huis met de trapgevel is een Burgerhuis van 1925, rechts ervan Burgerhuis in art-decostijl

Burgerhuis naar ontwerp van architect Lucien Coppé (Brugge) van 1925, zie schilddragende beer. Neobarokke gevel met traditioneel gebruik van bak- en natuursteen. Rijk uitgewerkte gevel met uitkragende traptop. Rondboogvormige vensters waartussen arduinen zuil met kapiteel en schilddragende beer. Bewaard schrijnwerk. (https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57628)

Burgerhuis in art-decostijl : Bel-etagewoning met keldergarage van 1931 naar ontwerp van architect A. Puype (Tielt). Art-deco-getinte gevel met similibekleding en horizontale gevelbelijning. Oplopende erkeruitbouw overgaand in puntgevel. Bewaard schrijnwerk en buisleuning aan trap.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57629)

terug de Filips-de-Goedelaan, huizen zonder trapgevels

links Eclectisch burgerhuis, daar naast Burgerhuis van 1907

Eclectisch burgerhuis uit het eerste kwart van de 20ste eeuw. Consoliderende "Kunstige Herstelling" in 1998 van de voorgevel. Klokgevel van baksteen in combinatie met bepleisterde elementen zoals begane grond, frontonbekroning, balusterleuning, cartouches, oculi en topafwerking. Op tweede bouwlaag driezijdige erker waarboven ovale oculi in bepleisterde omlijsting.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57517)

Wat is eclecticisme?
Eclecticisme is het combineren in een enkel werk van elementen van verschillende stijlen of stromingen. In de architectuur wordt de term met name gebruikt voor een richting binnen het 19e-eeuwse historisme, de eclectische stijl.

In de 19e-eeuwse beeldende kunst bestond er geen dominante, allesomvattende stijl. Door de bloei van de wetenschap en de kunstgeschiedenis ontstond er een stimulans om oude stijlen te doen herleven, wat resulteerde in historiserende vormgeving. De techniek had een enorme ontwikkeling doorgemaakt maar dat vertaalde zich desondanks niet naar een nieuwe vormgeving. Men kon immers kiezen uit de complete architectonische erfenis

Waar men daar echter nog probeerde zo veel mogelijk historisch stijlgetrouw te werken, werd dit in de latere 19e eeuw losgelaten. Een eclectisch bouwwerk heeft bijvoorbeeld kenmerken uit verschillende neostijlen in zich, die zijn gecombineerd tot een nieuw geheel.

iets verder zien we een rij erfgoedgebouwen, het huis met de erker is daarbij het maast opvallende: Herenhuis Filips de Goede Maria Van Bourgondië, rechts ervan De Wapens van Bourgondië, links van het gebouw met de erker Huis Gulden Vlies

Rijk versierd herenhuis, zogenaamd "Filips de Goede" "Maria Van Bourgondië" zie naamcartouches en beeldnis. Ontwerp van 1908 van architect Louis Ernest Charels (Brugge). De gevel werd toen geselecteerd voor een stadspremie. In 1996-1997 consoliderende "Kunstige Herstelling" van de voorgevel naar ontwerp van architect Karel Ingelaere (Beernem). Neo-Brugse bakstenen punt- en lijstgevel. Uitkragende bovenbouw aanzettend op kraagstenen met loofwerk. Typerende traveenissen, hier met getrapte middenpenant en maaswerk in de boogvelden. Gootlijst met balustrade opengewerkt met visblazen en driepassen. Driezijdige fraai uitgewerkte erker boven rondboogpoort met kruisbloembekroning. Glas-in-loodramen in de bovenlichten.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57515)

Huis "De wapens" "Van Bourgondië", zie naamcartouches. Neo-Brugse trapgevel van 1908 naar ontwerp van architect Louis Ernest Charels (Brugge). De gevel werd toen geselecteerd voor een stadspremie. In 1996-1997 consoliderende "Kunstige Herstelling" van de voorgevel naar ontwerp van architect K. Ingelaere (Beernem). Baksteenbouw met traditioneel gebruik van natuursteen. Variante op Brugse traveenissen type III met maaswerk in de boogvelden.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57516)

Huis "Gulden" "Vlies", zie naamcartouches. Breedhuis van 1908 naar ontwerp van architect Louis Ernest Charels (Brugge), de gevel werd toen geselecteerd voor een stadspremie. Typische bakstenen neobarokke trapgevel met uitkragende bovenbouw en rijk uitgewerkte neobarokke cartouches. Bovenlichten met glas-in-loodramen.(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/57514)

vervolg van de wandeling

het water waarlangs we wandelen is verbonden (rechts) met de Afleidingsvaart, de brug over de Afleidingsvaart zorgt ervoor dat we verder kunnen wandelen rond Brugge

aan beide zijden van het water genaamd de Bloedput, is er een park

Verklaring van het woord ‘bloedput’
Vroeger waren de barbiers de aangewezen heelmeesters. De aderlating was toen de meest doeltreffende remedie voor alle kwalen. De barbiers waren gewoon met scheermessen om te gaan en bleken dus de aangewezen personen om aders te laten.
Van daar het groot belang van het barbiersambacht in de middeleeuwen. Zijn leden scheerden niet alleen, ze trokken ook tanden, verzorgden wonden en deden aderlatingen.
Vooraleer als meester aangenomen te worden moesten de barbiers een mondelinge proef afleggen. Deze ging over de bepaling van een ader; de opsomming van de aders die mochten geopend worden, de gevolgen van een slechte of voorbarige aderlating en de beschrijving van de bijzonderste lichaamsdelen.
Als praktische proef moesten de kandidaten een baard inzepen en scheren, scheermessen en lancetten schoonmaken en slijpen, een verband aanleggen en drie aderlatingen verrichten: één op de arm, één op de band en de derde op de dij en van de patïent. Wie niet lukte in het examen moest nog een jaar in de leer gaan en werd daarna opnieuw tot de proef toegelaten.
De meest voorkomende heelkundige bewerking was het aderlaten. Indien dit slecht uitgevoerd was, had de patiënt recht op schadevergoeding. Om te beletten dat het bloed van de zieken zou gebruikt worden om varkens te mesten, waarvan het vlees dan later de ziekte zou overdragen op andere mensen, bezat iedere stad haar bloedput. Ieder dag ging de knecht van het barbiersambacht het bloed van de patienten ophalen bij de barbiers en stortte het in de stedelijke bloedput. Om dezelfde reden was het aan de barbiers verboden varkens te houden.

Te Brugge vinden we achtereenvolgens drie bloedputten, in de 16de eeuw werd een derde put aangelegd bij de stadsvestlng op het einde van de huidige Beenhouwersstraat. Dit gewest noemen de oude Bruggelingen nog altijd ‘den Bloepit’. (https://www.dekroniekenvandewesthoek.be/de-bloedput-van-brugge/)

Omdat we een belangrijke toegangsweg tot Brugge moeten kruisen, verlaten we het wandelpad, kruisen we de weg bij verkeerslichten en keren we aan de overzijde van de weg terug naar de overzijde van het water,

hier staan we op de brug over het water, de Bloedput

wanneer we verder zuidelijk wandelen zien we dat er een groot aantal eenden en meeuwen in het water zwemt

er wandelen heel wat mensen, sommigen komen op een bank in kleine groepjes picknicken

hier lijken huizen en straten niet te bestaan, we zijn nochtans net buiten het centrum van Brugge

de volgende stadspoort komt in zicht, de Smedenpoort

Smedenpoort

Vrijstaande, middeleeuwse stadspoort, Gebouwd als stadspoort. Huidig uitzicht resultaat van bouwen en verbouwen.
1368: bouwen van de Smedenpoort door Jan Slabbaerd en Matthieu Saghen.
1615: jaarcartouche boven de poort: optrekken van een nieuw bovendeel boven de bewaarde benedenbouw van de oude poorttorens, zie jaarsteen.
1909: aanbrengen van doorgang in de noordelijke toren ten behoeve van een voetpad.
1944: zware beschadigde poort en gedynamiteerde poortbrug; hieruit voortvloeiende totale vernieling van de bovenbouw, gebarsten muren, verzakkingen en een gedeeltelijk ingestorte zuidtoren.
1948: restauratie naar ontwerp van architect Jozef Viérin (Brugge). Heropbouw van de vernielde delen. De bovenvensters van de oostgevel werden tot hun oorspronkelijke grootte teruggebracht. De twee kleine openingen tussen de schietgaten aan de westgevel werden dichtgemaakt.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82520)

De poort zelf heeft 3 doorgangen, de middelste wordt gebruikt door auto’s, beurtelings richting in en richting uit de stad

kijkend richting stad, door de middelste doorgang, zien we de toren van Belfort-Hal

Aan beide zijden naast de poort, is er in 2012 een voetgangersbrug geplaatst

foto http://radioexclusief.weebly.com/streeknieuws/brugse-smedenpoort-krijgt-nieuw-laagje-verf

We wandelen over een voetgangersbrug, verder langs de Boeverievest richting station

Boeverievest-water

vervolg wandeling

huizen langs de Buiten-Boeverievest, de overzijde van het water

voor het grootste gedeelte van onze Ronde-van-Brugge was het wandelgebied in het groen

op het einde van de vest komen we in de Hendrik Consciencelaan

Eenheidsbebouwing van sociale woningen (witte huisjes)

Eenheidsbebouwing van zeven lage woningen opgevat volgens spiegelbeeldschema. Gebouwd in opdracht van Commissie Burgerlijke Godshuizen in 1931. Gevelopstand en afwerking knopen aan bij de gewone, lokale architectuur uit de 18de tot 19de eeuw. Breedhuizen van telkens twee traveeën onder geknikt zadeldak (Vlaamse pannen); dakkapel met schouderboog
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82445)

Godshuis Reyphins (bakstenen huizen)eerste reeks lage gebouwen

Godshuis Reyphins, hogere gebouwen

idem tweede reeks lage gebouwen

"GODSHUIS REYPHINS HERBOUWD IN 1905" in opdracht van Commissie Burgerlijke Godshuizen naar ontwerp van architect A. De Pauw (Brugge).
In 1634 stichtte Joos Reyphins een gelijknamig godshuis in de Nieuwe Gentweg, dat in 1905 werd overgeplaatst naar de Hendrik Consciencestraat.
Eenheidsbebouwing van zeven lage woningen volgens repetitief schema + drie panden van twee bouwlagen onder zadeldak (Vlaamse pannen) met typische schoorsteenschachten.
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82444)

Op de hoek slaan we nog even de Boeveriestraat in

huisjes van Godshuis De Moor

voormalig godshuis zogenaamd "DE MOOR/ 1480".
1480: stichting door Donaas De Moor en echtgenote Adriana De Vos.
1562: op de kaart van Marcus Gerards weergegeven als lage woningen met dakvenster.
1908: hof deels ingenomen door het achterliggende godshuis Reyphins.
1960-1961: uitbreiding van de eenkamerwoningen met één kamer aan de tuinzijde.
1997-1998: buitenschilderwerken.
Dertien lage enkelhuisjes gebouwd volgens spiegelbeeldschema, telkens van twee traveeën onder zadeldak (leipannen).
(https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/82438)

het einde van de wandeling langs de vesten

Nog even en we komen weer bij de parking bij het station. We hebben niet alleen gewandeld, maar ook heel interessante gebouwen en plaatsen in Brugge ontdekt.

 

Print Friendly and PDF

 

 

 

 

Plaats een Reactie

Gaby Amaai Lou wat een gedetailleerde reportage. Meer dan ne ganse boterham! Maar zo kennen we ons Lou hé! Wie dacht Brugge te kennen...? Bedankt hiervoor. Zeker eens de moeite om te doen. Groetjes Gaby Geplaatst op 04 April 2021
Martine Genoten van de wandeling. Een mooie herinnering, want ons Marieke liep hier vier jaar school in Spermalie. In de Veste werden we jaarlijks getrakteerd op een lekker 6-gangenmenu. Dat waren achteraf bekeken zorgeloze tijden! Bedankt voor de mooie reportages, het blijft genieten. Prettige paasdagen. Geplaatst op 04 April 2021
Robrecht en Isabelle Hartelijk dank voor de XXL-reportage :-)!! We hebben daarnet enkel nog maar van de foto's genoten, maar gaan alles es op het gemak lezen. Prima om onze kennis op te frissen en aan te vullen. Goed om bij een volgende Brugge-wandeling mee aan de slag te gaan! Fijne paasdagen en tot de volgende! Geplaatst op 04 April 2021

 

      
This site is only viewable in landscape mode !
Session Tracking